Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 21: 23-32 - Coen Constandse


Israëlzondag, 1 oktober 2017

Door Coen Constandse

Inleidende opmerkingen: Israëlzondag, de eerste zondag van oktober en daardoor op de kalender altijd in de buurt van de Joodse najaarsfeesten, heeft in 2017 als thema: Ommekeer, verzoening met God en mensen. De afdeling Kerk en Israël van de Protestantse Kerk in Nederland heeft ook dit jaar ter gelegenheid van deze Israëlzondag een uitgebreide Handreiking gepubliceerd.

Dr. Coen Constandse, predikant te Bunnik en lid van de Protestantse Raad Kerk en Israël, schreef de exegetische notities bij Matteüs 21: 23-32. De Handreiking met o.a. materiaal voor een interactieve viering rond de Matteüs tekst en een opzet voor de kindernevendienst is te downloaden op www.protestantsekerk.nl/kerkenisrael 

NB! Suggesties voor de preek zijn toegevoegd aan de korte exegetische notities bij de lezing uit Ezechiël 18.

Exegetische notites bij Matteüs 21: 23-32

Hoewel het oecumenisch leesrooster ook Oudtestamentische lezingen geeft - Ezechiël 18,1-4, 25-32 en Psalm 25,1-10 - concentreer ik me in deze exegetische notities op de lezing uit Matteüs. Deze evangelietekst wordt waarschijnlijk in de meeste kerken gelezen, en juist deze tekst kan gemakkelijk on-joods of anti-joods misverstaan worden. Als centraal thema zie ik ‘ommekeer’ (Hebreeuws: tesjoeva). Dat past ook bij Ezechiël 18 en bij Jom Kippoer. Op beide ga ik later nog kort in.

De lezing vertoont een aantal typerende kenmerken voor Matteüs, zoals we zullen zien. Ze past bij het dubbele karakter dat het Matteüs-evangelie heeft in relatie tot de Tenach en het Jodendom: enerzijds sluit Matteüs daar nadrukkelijk bij aan, anderzijds is er vaak grote spanning en animositeit tussen Jezus en met name de Joodse leiders. Dat is ook in onze tekst het geval. Ik volg hieronder de tekst.

[23] Als Jezus in de tempel terugkeert na zijn optreden (de zgn. ‘tempelreiniging’) de vorige dag, roepen de autoriteiten hem ter verantwoording. Het gaat om hogepriesters (daarvan is er eigenlijk maar één) en oudsten. De Schriftgeleerden en Farizeeën die later met hen samenwerken in het proces tegen Jezus ontbreken hier nog (het direct volgende verhaal noemt wel de Farizeeën). Niet duidelijk is of het de tempelautoriteiten gaat om Jezus’ hele optreden – intocht, genezing, ‘tempelreiniging’ – of alleen het laatste. De vraag naar Jezus’ bevoegdheid kan op zichzelf neutraal zijn, maar ze lijkt in het doorgaande verhaal van Matteüs niet neutraal bedoeld. Het hele optreden van de priesters preludeert op het lijdensevangelie, in het bijzonder hun vraag naar Jezus’ bevoegdheid en breder zijn identiteit (vgl. 26:63). Verder wijst de vraag naar Jezus’ volmacht (exousia) vooruit naar het slot van het evangelie (Mat. 28:18, het zogenaamde ‘zendingsbevel’; daar blijkt Jezus alle macht te hebben gekregen).

Dat de priesters en oudsten in alle openbaarheid hun vraag stellen is eigenlijk wel opmerkelijk. Waarom arresteren ze hem niet? Dat ze hem niet apart nemen, past bij Matteüs’ frame: Jezus staat tegenover de leiders te midden van het volk. Zo wil Matteüs het nadrukkelijk vertellen. De leiders blijken niet integer, want ze handelen vooral met het oog op hun positie tegenover het volk (een eerlijk antwoord zou het volk tegen de haren in strijken). Mogelijk is hun vraag een strikvraag (vgl. 22:15-22), waarmee ze vragen om Jezus’ zelfverklaring als profeet, om iets tegen hem te vinden of om twijfel te zaaien bij het volk.

[24-27] Jezus’ wedervraag getuigt van zijn exousia (volmacht). Zijn gesprekspartners gaan er immers niet alleen op in (en gehoorzamen dus), ze worden in het nauw gebracht doordat Jezus hun dubbelhartigheid doorziet. Jezus’ wedervraag blijkt echter geen uitwijkmanoeuvre maar een uitnodiging tot inkeer, een oproep tot geloof. Keer je af van het denken ex anthropoon (vanuit de mensen) en erken het ex ouranou (vanuit de hemel)! Opvallend is dat Jezus zich hier sterk verbindt met Johannes. Veel christelijke theologie en verkondiging maken een scherpe tegenstelling tussen Jezus en Johannes, maar dat is onjuist. Jezus zegt hier dat Johannes geloofd moet worden, dat dat geloof zelfs reddend is omdat hij ‘komt op de weg van de gerechtigheid’ (21:32).

De verwijzing naar Johannes is om twee redenen helemaal raak. (1) Tegenover Jezus is de opstelling van de priesters en oudsten net zo berekenend en politiek als tegenover Johannes, zo blijkt uit hun overwegingen. (2) Het ging ook Johannes (in wie zij niet geloofden) om inkeer, en zij blijken tot inkeer niet in staat. Jezus spreekt hen op beide punten aan.

[28-32] Op hun onoprechte antwoord (ze weten het immers best wat ze van Johannes vinden, maar ze durven het niet te zeggen) reageert Jezus met een gelijkenis. Daarin gaat het zowel om het verschil tussen spreken en handelen (of: uiterlijke schijn en wezen) als om berouw en ommekeer. Alleen Matteüs vertelt deze gelijkenis, en deze bevat typische Matteüs-accenten.

De nadruk op ‘de wil van de Vader’ is zo’n accent. Typisch Matteüs (vgl. Mat.7:21, ook over ingaan van het Koninkrijk; en het ‘Uw wil geschiedde’ in het Onze Vader en Gethsemane)! Opmerkelijk is dat zowel in 21:31 als in de volgende gelijkenis (21:43) niet Matteüs’ term ‘Koninkrijk der hemelen’ staat maar ‘Koninkrijk van God’. Mogelijk wijkt Matteüs af van zijn gangbare terminologie, omdat het om scherpe, profetische gelijkenissen gaat waarin God wordt opgevoerd (als de vader resp. de landheer). Zo plaatst Jezus de priesters en oudsten direct voor de Vader. Profetische exousia (macht)!

In de uitleg van de gelijkenis benoemt Jezus de openlijke zondaars (hoeren en tollenaars) als degenen die eerst ‘nee’ zeiden maar later door Johannes en Jezus ‘ja’ deden. Zij gaan de hogepriesters en oudsten voor, in dubbele zin: (1) ze zijn jullie vooruit, zij gaan eerder naar binnen en (2) ze wijzen als voorgangers hun leiders de weg. Dat is de weg van Johannes. Hij kwam en hodooi dikaiosunès (‘op de weg van de gerechtigheid’) en als je in hem gelooft en tot inkeer en ommekeer komt, kom je binnen in het Koninkrijk van God.

Dat de gelijkenis over een wijngaard gaat, is niet toevallig. Meteen hierna volgt ‘de wijngaard met de slechte pachters’ (21:33vv.). Met die wijngaard – een gebruikelijk beeld voor ‘Israël’ (vgl. Jes. 5) – is misschien specifiek de tempel bedoeld, als plaats voor inkeer, berouw en verzoening. De vraag die zij aan Jezus stelden, keert als een boemerang terug: met welk recht zijn zij hier eigenlijk (hoge)priester en oudste? Dat is de door Jezus’ gesprekspartners nog onvermoede diepere laag in de gelijkenis: doen zij als godsdienstige leiders wel de wil van de Vader?

Jezus ontmaskert met de gelijkenis als een profeet de priesters en oudsten. De hogepriesters en oudsten zijn de eerste zoon. Net als bij hem, klopt hun spreken, denken en doen niet met elkaar. Ze zijn berekenend, onoprecht, zo bleek uit het gesprek over de volmacht van Jezus en Johannes. Maar de kritiek gaat nog dieper: net als de eerste zoon doen zij niet de wil van de Vader. Ja, ze kunnen zelfs iets ‘uit de hemel’ (zoals Johannes en Jezus) niet meer als zodanig herkennen omdat hun hart vol is van andere, al te aardse overwegingen. Ze kunnen niet meer door de hemel bereikt worden (al doet Jezus met zijn gelijkenis een laatste poging om hen tot inkeer te brengen, terug op de juiste weg!). Maar – nog een stap verder, en dat is het belangrijkste – zij blijken zelf niet meer tot inkeer en ommekeer in staat. Terwijl zij als priesters en oudsten de tempel ‘runnen’, het huis van inkeer en verzoening! En zij vragen Jezus naar zijn volmacht?!

Deze en de volgende gelijkenis van de wijngaard (21:33vv.) zetten duidelijk de lijn in richting het lijdensverhaal (of beter: ze zetten de lijn voort). Dat is in het geheel van Matteüs de functie van deze tekst. De focus ligt daarbij op de leiders (hogepriesters, oudsten en later Schriftgeleerden/Farizeeën); het volk is hier zonder meer positief geschetst als gelovig en zal bij Jezus’ veroordeling door de perfide leiders verleid worden. Dit is van groot belang bij de uitleg van Mat. 21:33vv.: dat gaat primair over de leiders!

De verkondiging van het gedeelte is Jezus’ verkondiging tout court: bekeer u, zie wat er ‘vanuit de hemel’ gaande is met Johannes en Jezus: het koninkrijk is nabij (Mat. 4:17).