Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 9 februari 2020

In het Oude Testament is goed te zien hoe Israël regelmatig worstelde met het geloven in JHWH. Vele malen lijken andere goden aantrekkelijker. Profetische en andere stemmen waarschuwen daartegen. Zij roepen op tot trouw aan Israëls God.

In die oproepen wordt bij herhaling de spot gedreven met de goden van de volken. Een voorbeeld van zo’n godenpolemiek is Ps. 115: tegenover de actieve God van Israël (115:3) staan de goden van de volken die het werk zijn van mensenhanden, die een mond hebben, maar niet kunnen spreken, ogen hebben, maar niet kunnen zien, oren hebben, maar niet kunnen horen, een neus hebben, maar niet kunnen ruiken, handen hebben, maar niet kunnen tasten, voeten hebben, maar niet kunnen lopen en die ook geen geluid kunnen uitbrengen (Ps. 115:4-7). Parallel hieraan is de passage Ps. 135:14-18. Ook in het verhaal van Elia’s confrontatie met de Baälsprofeten in 1 Kon. 18 speelt dit thema. Tegenover de machteloze Baäl die het offer van de profeten niet laat ontvlammen, staat de HEER die Elia’s offer wel in vuur en vlam zet. Tegenover de God van Israël die mensen draagt (Jes. 46:3), staan de goden die rondgedragen moeten worden (Jer. 10:5; Jes. 46:1). Jeremia spot: zij doen geen kwaad, maar ook zij zijn niet in staat om goed te doen (Jer. 10:5).

Binnen de setting van Jes. 40-55 is Jes. 46:1-7 niet het enige voorbeeld van zo’n godenpolemiek. Men vindt dat ook in Jes. 44:9-20 en in de lezing voor deze zondag Jes. 43:9-12. In Jes. 40-55 zingt een ons niet meer bij name bekende profeet de Judeeërs die in de 6e eeuw vdgj in Babel in ballingschap zijn, troostend (Jes. 40:1) toe dat God zijn volk uit de ballingschap gaat bevrijden en het gaat terugbrengen naar het land van herkomst. Deze profeet nodigt zijn hoorders hartstochtelijk uit mee te gaan. Zijn God is schepper (o.a. Jes. 40:12.28; 42:5; 43:1) en bevrijder (o.a. Jes. 41:14; 43:1.3). De uittocht van Juda uit Babel zal een parallel zijn van de uittocht uit Egypte. De daden van deze God zijn aanwijsbaar in de geschiedenis. Van welke van de goden van de volken kan hetzelfde gezegd worden, daagt Jes. 43:9 uit. Dan zullen zij geloofd worden. Zoals de goden ook al in Jes. 41:22-23 waren uitgedaagd:

Kom ermee voor de dag
en vertel ons wat er gebeuren zal.
Vertel ons over wat vroeger is gebeurd,
zodat wij de afloop nu al kennen.
Licht ons in over wat komen gaat,
geef ons aanwijzingen over de toekomst,
dan weten wij dat jullie goden zijn.
Doe het, hetzij goed, hetzij slecht,
zodat wij het met eigen ogen kunnen zien.

De impliciete gedachte is dat zij dat niet zullen kunnen.

Het rechtsgeding van Jes. 41:21-24 wordt in Jes. 43:9vv opgepakt en verder uitgewerkt. Nu wordt van de Judeeërs, Gods verkoren dienaar (als in Jes. 41:9), gezegd dat zij kunnen getuigen van de bevrijdende God (Jes. 43:10.12; 44:8). Zij hebben Gods werken in verleden en heden gezien. Daarin is Hij de unieke (Jes. 43:10; verg. 40:18.25-26; 44:8), de enige God die verlost (Jes. 43:11).

Deze rol voor Israël als getuige van deze unieke God vinden we terug in de layout van het Sjema, Deut. 6:4. In de Hebreeuwse tekst zijn daar twee letters groter geschreven cq. gedrukt: de ayin van het “Hoor” (שמע) en de dalet van het “één / uniek” (אחד). Tezamen vormen deze twee letters het Hebreeuwse woord voor “getuige” (עד). Zo worden mensen opgeroepen om aan de kant van Israëls God JHWH te staan en de goden en de volken te verzekeren dat deze God zich daadwerkelijk heeft gemanifesteerd in de geschiedenis en dat Hij nu (in de context van Jes. 40-55) vol is van heilswil ten opzichte van zijn volk in Babel, Hij de unieke God.

Jullie zijn mijn getuigen: het gaat om een meervoud, anders dan het enkelvoud “getuige” van NBV-2004. Een zaak staat immers pas werkelijk vast op het getuigenis van meerdere getuigen (Num. 35:30; Deut. 17:6; 19:15).