Joods-Christelijke Dialoog

Tessalonicenzen 1. 5: 1-7 - Lieve Teugels

Zondag 15 november 2020

Door Lieve Teugels


De lezing van het begin van 1 Tess 5 zit vol bekende motieven maar toch roept hij veel vragen op. Deze worden niet echt beantwoord in de tekst zelf. Ik ben maar begonnen met een close reading. Ik neem daarbij verzen 1-9 samen want, hoewel de lezing stopt bij vers 7 loopt de redenering verder. Dit is wat me opvalt en de vragen die bij me opkwamen bij het lezen van deze tekst:

- De “dag van de Heer” komt onverwacht.
- Het beeld dat daarvoor gebruikt wordt is een “dief in de nacht”
- “Dief” heeft meestal een negatieve connotatie: is de Dag van de Heer dan iets negatiefs?
- De vergelijking met barensweeën, en de vermelding van ondergang en onmogelijkheid van vluchten versterken de negatieve connotatie.
- Ook “nacht” krijgt hiermee een negatieve klank; dit wordt versterkt door het beeld van dronkenschap (v.7) dat met de nacht verbonden wordt.
- Ook slapen is negatief: het staat voor niet waakzaam zijn (6)
- Uit vv. 8-9 blijkt echter dat als je leeft in het licht, er hoop is op redding; Gods bedoeling is niet veroordeling.
- “Licht” heeft dus een positieve betekenis; het staat voor op de hoede zijn en voorbereid zijn.
- Hieruit kan je dus concluderen dat de Dag des Heren niet alleen ondergang is; maar ondergang voor sommigen (die leven in de “nacht”), en redding voor anderen (die zijn in het “licht”).

Er worden hier allerlei beelden gebruikt die voor het toenmalige gehoor bekende metaforen moeten zijn geweest. In welke teksten uit de Bijbel of verwante literatuur vinden we deze terug? Mijn eerste associatie bij “dief in de nacht” was Mat 24:43 en Lk 12:39. Daar wordt de dief in de nacht geïdentificeerd met de Mensenzoon. Dat is geen negatieve figuur. Wat in dit gebruik van het beeld dus belangrijk is, is het snelle en onverwachte optreden van de dief, en niet zijn slechte intenties.

Ten tweede dacht ik aan de Parabel van de tien bruidsmeisjes in Mat 25:1-13. Daar gaat het niet om de “Dag van de Heer”, maar om het “Koninkrijk van de Hemel”. Dat duisternis of nacht een negatief gegeven is wordt hier duidelijk doordat de meisjes in slaap vallen. De lampen, een vorm van licht, staan voor gereedheid en waakzaamheid, net als het wakker blijven. Voor de meisjes die niet gereed zijn met hun lampen en dus in het duister blijven tasten, gaat “de deur” van het Koninkrijk van de Hemel letterlijk dicht.

Dat laatste deed me, in de nadagen van de hoge feestdagen denken aan de fase in de liturgie van Jom Kippoer die ne’ila wordt genoemd – het dichtgaan van de deuren. Dezelfde idee is hier aanwezig: de deur van het gebed naar de “hemel” gaat dicht. Weliswaar langzaam; de deur wordt niet in je gezicht geslagen zoals bij de tien bruidsmeisjes.

In de dagen voor Jom Kippoer is het duidelijk dat men zich moet voorbereiden en tot inkeer moet komen. Daar zijn ook richtlijnen voor: de bekendste is dat men zich moet proberen te verzoenen met andere mensen met wie de verhouding getroebleerd is. In rabbijnse teksten leest men vaak dat het doen van de mitsvot, of het geven van tsedaka, een voorwaarde is voor het binnengaan in de “komende wereld”. Vanuit Joods perspectief is het daarom vreemd dat bij een tekst als die van 1 Tess, maar ook bij de Tien Bruidsmeisjes, en bij de Dief in de Nacht niet duidelijk gezegd wordt hoe men zich kan voorbereiden. Waarvoor staat het “waakzaam” zijn? Aan het einde van Mat 25 staat wel een indicatie: “Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.”. Deze oproep vinden we reeds in Jes 58:6-7.

Tenslotte de “Dag des Heren”. Waar komt deze term vandaan? In Joel 2 vinden we de tekst die zeer hoogstwaarschijnlijk de inspiratie vormde voor onze tekst. Hier wordt “de dag van de Heer” beschreven.
Want het is de HEER –
zijn stem schalt voor zijn leger uit,
zijn strijdkrachten zijn geweldig,
zijn bevel wordt met groot vertoon volbracht.
Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER,
wie kan die dag doorstaan? (Joel 2:11)

In de voorafgaande verzen vinden we ook de ondergang (v. 3), de duisternis (v. 5) en zelfs de dief: “ze komen als dieven door de vensters”(v. 9).
De beschrijving van de dag van de Heer is net als in 1 Tess 5 geen pretje. In het vervolg van deze tekst worden de mensen opgeroepen om zich hierop voor te bereiden, met de ramshoorn, en vasten, en de oproep tot bekering. Zelfs een deel van de 13 eigenschappen van God (uit Exod 34:6-7), ook bekend van de liturgie van Jom Kippoer worden hier genoemd “want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid”. (v. 13)

De associatie met Jom Kippoer is ook niet ontgaan aan de enige midrasj die ik kon vinden op deze tekst uit Joel, in een onbekende midrasj, Midrasj Minain, opgenomen in Wertheimer’s Batei Midrasjot. Met deze tekst wil ik eindigen. In de rabbijnse exegese heeft de Dag van de Heer een afspiegeling, of een voorloper (?), op aarde gekregen.
“Zijn stem schalt” dat is de stem van de sjofar van Rosj haSjana. “Voor zijn leger uit”, dat zijn de tien dagen tussen Rosj Hasjana en Jom Kippoer. “Zijn strijdkrachten zijn geweldig”, dat is Israel; “Ja, groot en ontzagwekkend is de dag van de HEER, wie kan die dag doorstaan?” Dat is Jom Kippoer. (Batei Midrasjot deel 2, p. 88)