Joods-Christelijke Dialoog

Samuel 1. 05 - Lukas A. de Groote

God en Dagon

In dit hoofdstuk lijken veel schrijffouten voor te komen. Volgens McCarter is de tekst in het ongerede geraakt, maar Tsumura toont aan dat alle onregelmatigheden een bewust in het verhaal gelegd zijn en een functie hebben.
Er komen veel herhalingen voor in dit verhaal: 4 x de ark, 2 x ‘huis van Dagon’, 2 x de ark van , 2 x ‘vroeg in de morgen’.

Vers 1 En de Filistijnen hadden de ark van God genomen, en ze brachten hem van Eben-Haëzer naar Asdod
Zij brachten: letterlijk staat er ‘men bracht‘.
Eben-Haëzer. Eben-Haëzer betekent: ‘steen van de hulp’. Hier hadden de Israëlieten tweemaal de nederlaag geleden tegen de Filistijnen. Zie 1 Samuel 4.
Asdod: een grote stad in de late bronstijd en vroege ijzertijd. Het lag zo’n 4 km. van de zee en 50 km. ten zuid-westen van Eben-Haëzer. In Asdod stond een tempel van de god Dagon. Deze tempel werd in de tijd van de Makkabeeën verwoest. Zie 1 Makkabeeën 10:11,16.

Vers 2 En de Filistijnen namen de ark van God, en ze brachten hem in het huis van Dagon, en ze plaatsen hem naast Dagon.
Dagon was een Kanaänitische godheid die ook door de Filistijnen vereerd werd en ook op andere plaatsen zoals Oegarit. Daar werd hij beschouwd als de vader van de god Baäl. Het bovengedeelte met hoofd en handen had een menselijke vorm en het ondergedeelte had de vorm van een vis. Het leek dus een soort zeemeerman. De naam Dagon is afgeleid van het woord dagan dat graan of koren betekent. Sommigen menen dat het afgeleid is van het woord ‘wolken, regen’. Vroeger werd ook verband gelegd met het woord dag, dat vis’’ betekent, maar etymologisch schijn dit niet juist te zijn. Wel is het zeker dat het een god van de vruchtbaarheid was en graan was symbolisch voor grote vruchtbaarheid (vis trouwens ook). In Richteren 16:23 wordt ter ere van Dagon een groot feest gevierd in Gaza waarbij Simson moet optreden. De uitgang –on is typisch Phoenicisch.
Plaatsen: hier wordt niet het gewone woord ‘zetten’ gebruikt, maar een apart woord. Mogelijk dat dit duidt op de eerbied die de Filistijnen hadden voor goden, en dus ook voor de God van Israel.
Naast, terzijde van. Dit betekent dus niet dat de Filistijnen de God van Israel ondergeschikt maakte aan Dagon. Nee, men stelde hem vrijwel op gelijk niveau daarmee. Door de God van Israel te annexeren hoopten zij ook een extra zegen te krijgen, naast die van Dagon. De Filistijnen hadden de verering van Dagon overgenomen van de Phoeniciërs en nu willen zij de God van Israel er ook wel bijnemen.

Vers 3 En de Asdodieten stonden de volgende morgen vroeg op, en zie, Dagon, gevallen voor zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van de Eeuwige. En zij namen Dagon, en zij brachten hem terug op zijn plaats.
De Septuaginta heeft enkele woorden extra: En ze gingen naar het huis van Dagon en ze zagen…
Voor zijn aangezicht, voor hem, voor zich. Daarná staat er ook nog dat hij gevallen was ‘voor de ark van de Eeuwige’. Dagon is een slaaf geworden voor de god van Israel en door voor hem te vallen bewijst hij deze eer. Zie Genesis 17:3, 17 en Jozua 5:14 en Richteren 3:25.
De Septuaginta heeft hier: óp zijn aangezicht. De Peshita en Targum hebben ‘voorover’, overeenkomstig 1 Samuel 17:49.
Nemen: De Septuaginta heeft in plaats van ‘zij namen’: ‘En zij tilden op’.
Een versie van de Septuaginta heeft hier veel woorden extra: En de hand van de Heer was zwaar op de Asdodieten. Hij gaf hen plagen en Hij sloeg hen op hun verborgen delen, Asdod en haar kustgebieden.
In dit vers en in vers 4 is sprake van ‘de ark van de Eeuwige’ en in vers 1 en 2 van ‘de ark van God’. Voor de Filistijnen was de God van Israel een te eren godheid, net als alle andere goden. Hier zegt de schrijver dat de God van Israel niet zomaar een godheid is, maar de persoonlijke God, de Eeuwige.

Vers 4 En zij stonden vroeg op in de ochtend de volgende dag, en zie Dagon was gevallen voor zijn aangezicht ter aarde, voor de ark van de Eeuwige. En het hoofd van Dagon en de beide handpalmen van zijn handen, afgesneden naar de sokkel. Slechts Dagon was overgebleven daarop.
In de ochtend. Dit lijkt een vroegere tijd aan te geven dan wat in vers 3 staat. Mogelijk dat de Filistijnen bezorgd waren over wat Dagon nu weer overkomen kon zijn?
De volgende dag. In verschillende handschriften van de Septuagiita is dit weggelaten.
De Septuaginta heeft weer: op zijn aangezicht, net als de Vulgata.
De beide handpalmen van zijn handen: met het woord voor ‘hand’ (jad) kan ook ‘onderarm’ bedoeld zijn. Voor ‘handpalm’ wordt het woord ‘qaf’ gebruikt.
Afgesneden. Er staat niet: ‘afgebróken’!
Naar, tot, tot aan. Weinig Hebreeuwse handschriften hebben ‘op’, net als de Peshitta en Targum. Het lijkt logischer dat de afgesneden handen op het voetstuk van het beeld waren terechtgekomen.
Sokkel, voetstuk, drempel, verhoging, podium, basis. Dit woord komt ook voor in vers 5 en nog vijf keer in Ezechiël en nog in Zefanja 1:9.
Dagon. De Septuaginta heeft ervoor ‘de romp van’. Ook de Peshitta en Vulgata hebben iets soortgelijks. Als de schrijver dit bedoeld had, had hij een goed woord tot zijn beschikking, namelijk ‘gaw’, dat ‘rug, buik, romp’ betekent. De vraag is of er dan zomaar iets als het woord ‘romp’ aan de tekst toegevoegd mag worden. Als men uitgaat van een verband tussen de naam Dagon en ‘vis’ (dag), zou de mening van Keil opgeld kunnen doen. Dat hier niet de naam ‘Dagon’ is bedoeld, maar de aanduiding van het visgedeelte van de godheid. Ook volgens Kimchi was alleen het visgedeelte blijven staan.
Een andere verklaring is de volgende: door alleen de romp zonder hoofd en handen met de naam Dagon aan te duiden zegt de schrijver dat het bij de godheid Dagon geen verschil maakt of hij alleen uit romp bestaat of hoofd en handen heeft. Ook mét hoofd en handen kan hij toch niet denken en ook niets uitrichten.
Daarop, op hem. Op de sokkel?
Het onthoofden van overwonnen tegenstanders werd vaak toegepast bij de oorlogsvoering in die tijd. Zie bijvoorbeeld 1 Samuel 17:51 (Goliath door David) en 1 Samuel 31:9 (Saul door de Filistijnen).

Vers 5 Daarom treden de priesters van Dagon en allen die binnengaan in het huis van Dagon niet op de sokkel van Dagon is Asdod, tot op deze dag.
Treden, betreden. Hier wordt een wat deftig woord gebruikt.

Vers 6 En de hand van de Eeuwige drukte zwaar op de Asdodieten, en ze raakten in verwarring, en hij sloeg hen met builen, Asdod en zijn gebied.
Zwaar drukken, zwaar zijn. In 1 Samuel 4:21 zegt de schoondochter van Eli dat de eer van God weg is uit Israel en ze noemt haar zoon dan ook ‘Ikabod’, ‘Weg eer’ (eigenlijk: Waar is de eer?). Maar de eer van God wordt wél gevonden hier bij de Filistijnen. Het woord ‘eer’ is namelijk hetzelfde woord als ‘zwaarte, gewicht’. Als dit woord betrekking heeft op mensen is de betekenis: verbijsteren, ontzetten. In Micha 6:13 betekent het: door afname van de middelen van bestaan een land ontvolken. Het is dus het tegenovergestelde van wat van Dagon verwacht mocht worden.
De Septuaginta heeft dit gedeelte anders (naar aanleiding van 1 Samuel 6:4): En het brak uit op hen in de schepen, en muizen sprongen op in het midden van hun land en er was grote sterfte in de stad, zonder onderscheid.
Buil, zwelling, verhevenheid, heuvel. Dit woord is afgeleid van het werkwoord ‘zwellen’. In vers 9 en 12 wordt beschreven dat mensen overlijden aan deze aandoening. Mogelijk dat builenpest bedoeld is, een besmettelijke ziekte die door muizen en ratten overgebracht wordt. Deze kunnen met de schepen van de Filistijnen meegekomen zijn en zo inheems geworden in Israël. Dit woord komt ook voor in Deuteronomium 28:27 en wordt daar vertaald met ‘Egyptische builen’. Bedoeld kunnen zijn de ontstoken lymfklieren in oksels en liezen. De Masoreten hebben dit woord ‘builen’ vervangen door een woord dat ‘zweren’ of ‘aambeien(?)’ betekent. Dit laatste woord komt voor in 1 Samuel 6:11,17. Zie ook Psalm 78:66.
In dit vers staat ‘de hand van de Eeuwige wérd zwaar’ net als in vers 9. In vers 11 staat ‘de hand van God wás zwaar’.

Vers 7 En de mannen van Asdod zagen dat het er zo voor stond, en ze zeiden: niet mag de ark van de God van Israel bij ons blijven, want zijn hand drukt zwaar op ons en op Dagon, onze god.

Vers 8 En ze zonden (bericht) en ze verzamelden alle stadsvorsten van de Filistijnen tot zich, en ze zeiden: Wat zullen we doen aan de ark van de God van Israel? En ze zeiden: laat de ark van de God van Israel rondgaan naar Gat. En ze lieten de ark van de God van Israel rondgaan.
Rondgaan, zich omkeren, zich wenden. Als het van levenloze dingen gezegd wordt betekent het: gebracht worden, naar elders bewegen (Goslinga).

Vers 9 En het geschiedde nadat zij hem hadden doen rondgaan, dat de hand van de Eeuwige in de stad zeer grote paniek veroorzaakte, en hij sloeg de mannen van de stad, van klein tot groot. En er braken op hen builen uit.
Paniek, verwarring, ontzetting, ontsteltenis.
Uitbreken. Een uniek woord. Zou de betekenis hier zijn het doorbreken van een getromboseerde aambei, of van een perianaal abces of van de geabcedeerde lymfklieren?
Buil, bult, zwelling.
De LXX heeft: aan hun verborgen delen en de Gattietten maakten voor zich afbeeldingen van aambeien.

Vers 10 En zij stuurden de ark van God naar Ekron. En het geschiedde toen de ark van God te Ekron gekomen was, dat de Ekronieten schreeuwden, door te zeggen: de ark van de God van Israel is rondgegaan tot ons om mij te doden en mijn volk.
Schreeuwen, om hulp roepen.
De Masoretische tekst heeft de eerste persoon enkelvoud ‘om mij te doden en mijn volk’. Is bedoeld een collectieve uitspraak van alle Ekronieten?

Vers 11 En zij zonden (bericht) en zij verzamelden al de stadsvorsten van de Filistijnen, en zij zeiden: stuur de ark van de God van Israel weg, zodat hij terugkeert naar zijn plaats, en mij en mijn volk niet doodt. Want er was een dodelijke paniek ontstaan in heel de stad. De hand van God drukte daar zeer zwaar.
In vers 9 was sprake van een zeer grote ontzetting, in vers 11 van een dodelijke ontzetting.

Vers 12 En de mannen die niet gestorven waren, waren geslagen met builen. En gejammer steeg op uit de stad (ten) hemel.
In plaats van ‘builen’ willen de Masoreten hier een ander woord gelezen hebben, dat mogelijk ‘gezwellen, zweren, aambeien’ betekent. Willen zij hierdoor de Filistijnen extra belachelijk maken?
Weinig handschriften hebben inderdaad dit door de Masoreten voorgestelde woord, net als de Peshitta, Targum en Vulgata. De Septuaginta heeft het oorspronkelijke woord ‘builen’ (in het Grieks).

Commentaar verwerkt van Alter, v.d. Born, Goslinga, de Groot, Hertzberg, Keil, Klein en The Pulpit Commentary.