Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 22: 1-14 - Peter Tomson

Zondag 15 oktober 2017 (evangelileleizing volgens gemeenschappelijk leesrooster)
Zondag 29 oktober 2017 (evangelielezing volgens alternatief rooster)


De gelijkenis van het Koninklijke bruiloftsfeest

door Peter Tomson

De gelijkenis en haar ‘familie’
De joodse filoloog David Flusser introduceerde het begrip ‘familie van gelijkenissen’: een groep gelijkenissen die (een deel van) hun stof gemeenschappelijk hebben, met elk een eigen ‘thema’ (Tussen oorsprong en schisma, Hilversum 1984, 180-191). Elke gelijkenis doet weer iets anders met de stof en brengt dat tot uitdrukking in de ‘pointe’. In Matt 22:1-14, onze pericoop gaat het om een bruiloftsmaal waarvoor mensen uitgenodigd zijn – maar ze komen niet vanwege een reeks van andere besognes. Ook in Matt 25:1-13 (5 november) gaat het om genodigden voor een bruiloftsmaal – maar als het eindelijk zover is mag de helft binnen omdat ze geen olie voor hun lampjes hebben. In de rabbijnse literatuur komt nog een ‘familielid’ voor, toegeschreven aan R. Jochanan ben Zakkai. Ook hier betreft het een bruiloftsmaal met genodigden – maar als het zover is mag de helft er niet in omdat ze geen passend feestkleed dragen (Bab. Talmoed, Sjabbat 153a, Flusser ibid. 186).
Het gaat in deze familie dus om het ingaan op de uitnodiging en de verschillende ‘verhinderingen’ daarbij. De ‘pointe’, en daarmee het logische eind van de gelijkenis, is bereikt wanneer duidelijk is waarom de genodigden of een deel van hen niet komen.

De gelijkenis in haar context
Het raamwerk van onze gelijkenis is onmiskenbaar Matteaans. Dat blijkt al in de inleidingsformule: ‘het Koninkrijk der Hemelen gelijkt op…’ Deze formule komt 14 keer voor in Matteüs in licht variërende vorm (homoioa estin / hômoiôthè + dativus). Het is de vraag wat redacteur Matteüs bedoeld heeft met deze algemene formule. ‘Het koninkrijk is gelijk aan’ … een mens die zaaide, een mosterzaad, een zuurdesem, een schat in de akker, een kostbare parel, een sleepnet, een koning die een feestmaal aanricht… Het gaat zo te zien om de manier waarop het Koninkrijk ‘komt’, om hoe de mensen het ‘ontvangen’. Misschien kun je parafraseren: ‘De komst van het Koninkrijk der Hemelen lijkt op…’ De formule lijkt in elk geval sterk op rabbijnse formules en moet daarom uit een of andere joodse traditie stammen. Omdat hij verder alleen een paar keer in Lucas voorkomt (13:18, 20; 22:29), moet zij in de meeste gevallen zijn toegevoegd door een Matteaanse redacteur die putte uit een hem bekende traditie. De Matteaanse uitdrukking Koninkrijk der hemelen (= God) komt verder trouwens praktisch alleen in de rabbijnse literatuur voor.
Matteaans is ook de uitwerking van de gelijkenis. Dit blijkt uit vergelijking met de direkte parallel, Lucas 14:16-24: de overeenkomst loopt nl. alleen tot aan vers 10. Vers 11-14 lijkt een toevoeging, en inderdaad volgt daar een andere gelijkenis: die van de man die wel op het feest is maar geen feestkleed draagt. We weten uit de boven aangehaalde rabbijnse parallel dat dit motief ook in de ‘familie’ voorkomt. Maar het houdt niet noodzakelijk verband met de ‘gelijkenis van de verontschuldigingen’. Die heeft haar pointe bereikt wanneer de feestzaal ‘gevuld’ is (22:10). Het eind, met het ‘geween en tandengeknars’, is weer typisch Matteaans.
Ook de gelijkenis van de verontschuldigingen (vers 2-10) zelf vertoont een redactionele ingreep. De genodigden die niet naar hun akkers enz. gaan, doden de boden van de koning, waarop de koning zijn leger stuurt en hun stad laat verwoesten (22:6-8). Waarom ze hen doden is volstrekt onduidelijk. Duidelijk is allleen dat we hier de situatie voor ogen hebben van de Matteaanse gemeente, die na de verwoesting van Jeruzalem in toenemende spanning met de joodse leiders leefde. Daarop stuitten we reeds in de gelijkenis van de wijngaard (Matt 21:43, vorige week), waar de heer zijn wijngaard in pacht geeft aan ‘een ander volk dat de vruchten opbrengt’. Dat is een duidelijke verdubbeling t.o.v. 21:41, ‘andere pachters die de vruchten op tijd opleveren’, en ziet er daarom uit als een (wat onhandige) redactionele uitwerking.
Op een website die ‘Joods-christelijke dialoog’ beoogt mag niet verzwegen blijven dat in deze verzen het grote conflict tussen Joden en christenen naar voren komt, en dat de Matteaanse redacteur daarbij een polemisch, anti-joods standpunt inneemt. Misschien zal hij in zijn situatie niet veel keus gehad hebben. Maar het is in elk geval niet onze situatie vandaag.

De gelijkenis in het leesrooster
De lezing uit Jes 25:1-9 is kennelijk gekozen vanwege het ‘feestmaal op Sion’ in 25:6-9, een verheven toekomstvisioen waarover je mooi kunt zingen en preken.
Fil 4:12-14, 19-20 is een heel specifieke ‘dankbetuiging’, als je naar de overgeslagen (!) verzen kijkt. In 4:15 schrijft Paulus dat de kerk in Philippi ‘de enige is geweest die deelde in mijn tegoeden en tekorten’. Paulus gebruikt hier de technisch-financiële Griekse termen dosis en lèmpsis (‘krediet en debet’), en het ermee verbonden koinôneô betekent ‘participeren’, ‘zakenpartner zijn’. De gemeente van Philippi is zakelijk partner in Paulus’ werk, ook nu hij gevangen zit (1:13), en het is daarvoor dat hij hen bedankt.
In de preek zou je een parallel kunnen trekken tussen Paulus en de gemeente van Matteüs: ze zitten allebei in het nauw, en de gemeente van Philippi is een voorbeeld van daadwerkelijke solidariteit. Het betekent niet dat we Matteüs moeten steunen in zijn anti-joodse opstelling, maar wel dat we begrip hebben voor zijn moeilijke stuatie.
Wat Matt 22:1-14 zelf betreft zou je m.i. moeten onderscheiden tussen traditie en redactie, dus tussen de (vermoedelijke) Jezus-traditie en het (zichtbare) redactiewerk van Matteüs. De nodiging om het Koninkrijk der Hemelen te ‘ontvangen’ staat centraal in Jezus’ prediking, en het bedenken van ‘verontschuldigingen’ is geen van ons vreemd. Matteüs echter heeft na de oorlog tegen Rome meegemaakt dat de meerderheid van de Joden er niet in meeging. Hier klinkt pijn en bitterheid door. Misschien kan het visioen van Jes 25 ons allen omarmen en optillen.