Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 03: 13-17 - Jan Finnema

Zondag 7 januari 2018
Zondag 12 januari 2020


De doop van Jezus

door Jan Finnema

De centrale (christologische) verlegenheidsvraag van deze perikoop luidt: Wie is deze Zoon van God dat Hij de doop ontvangt van iemand die zich zelf niet goed genoeg acht om zijn sandalen voor hem te dragen (v.11). We komen verschillende gedachten tegen in de kerkgeschiedenis die een antwoord proberen te geven op deze vraag. In de oude kerk domineert de gedachte dat Jezus met zijn doop het element water hiermee gereinigd heeft (1). Talrijk zijn ook de verbindingen in de vroege kerk van de doop van Jezus met zijn zoendood en het afwassen van de zonde (2). Daarnaast is er nog de heilsgedachte dat Adam door zijn zonden de hemel gesloten heeft, welke nu door Jezus (de zondeloze, nieuwe Adam) weer wordt geopend (3). Belangrijker dan het accent op de doop is voor Matteüs dit zoonschap, waarmee hij het gehoorzaam-zijn aan en het volgen van Gods wil accentueert. Daartoe worden wij allen uitgenodigd.

(v. 13) Jezus komt vanuit Galilea naar de Jordaan – als één van de velen komt Jezus uit Galilea naar de Jordaan en wordt gedoopt als één van hen (zie v. 17 over het zoonschap). Wat betekent dat voor onze christologie? Het opgaan naar de Tempel, ook van Jezus, veronderstelt een bewustzijn van zondig zijn. Vanuit Bijbels-joods perspectief wordt de onderscheiding gemaakt tussen zonden die onbedoeld en onbewust worden gedaan en bewust gekozen zonden. Dat Christus vrij is van deze laatste categorie staat voor Matteüs als vanzelfsprekend vast. (Fiedler)

(v. 15) Gods gerechtigheid vervullen – deze uitdrukking, als een centraal begrip in Matteüs, wordt hier voor het eerst gebruikt. Dat wat er gebeurt, is door God zo bestemd en Johannes moet hier aan meewerken. Deze gerechtigheid wordt in de Bergrede vijf keer uitgewerkt (5, 6.10.20; 6,1.33). De gerechtigheid van God wordt hier gelijkgesteld met zijn barmhartigheid, als God van Erbarmen, El Rachamim – waarbij rachmim verwijst naar de ‘rechem’, de baarmoeder. Zoals deze samentrekt bij de geboorte, zo kan God niet anders dan vol erbarmen oordelen over de mens.). Matteüs spreekt van de gerechtigheid Gods (6,33) en de gerechtigheid van de mensen (5,20; 6,1) en verbindt deze met elkaar door het geloof in Christus, als een oer- en voorbeeld voor christenen. Zowel Johannes de Doper als ook Jezus vervullen (verwerkelijken) hier op deze wijze Gods wil en zijn gerechtigheid.

(v. 16) Opende de hemel zich voor hem – vgl. Ezechiël 1,1 waar de hemel zich opent en Ezechiël een visioen krijgt van God (zie ook: Joh. 1,51; Openb. 19,11). De open hemel en de hemelse stem die klinkt geeft een eschatologisch accent aan deze gebeurtenis.

(v. 16) de Geest van God als een duif – andere vogels waren weliswaar ook mogelijk geweest, maar de duif maakt een verbinding met Genesis 8, 8-12. In de Talmoed wordt Gen. 1, 2 (Gods geest zweefde over het water) vergeleken met wijze waarop een duif boven haar jongen zweeft zonder hen aan te raken.

(v.17) Dit is mijn geliefde zoon, in hem vind ik vreugde – ‘De geliefde’ verwijst naar Jesaja 42,1, waar God zijn Zoon in wie Hij welbehagen heeft de ‘uitverkorene’. Hoewel dat op het eerste gehoor verschillende benamingen zijn, blijken ze in de context waarin ze staan niet veel in betekenis van elkaar te verschillen. Het onderstreept de unieke liefde van God voor zijn Zoon. We horen hierin ook een echo uit Gen. 22,2. Hierop ligt het grote accent bij Matteüs. Met het zoonschap verwijst hij naar het gehoorzaam-zijn en het volgen van Jezus (Lüz). Zo kunnen ook wij als mens kind van God worden (vgl. 5, 9 en 5, 45).

Literatuur:
Peter Fiedler, Das Matthäusevangelium, ThKzNT, 2006
Ulrich Luz, Das Evangelium nach Matthaüs (deel 1), EKK (1997)