Joods-Christelijke Dialoog

Jeremia 29: 1.4-14 - Adri van der Wal

 Zondag 28 juni 2020

In Jeremia 29 evenals in Jeremia 30-31 laat de profeet zich als een pastor kennen. Hij schrijft een pastorale brief aan de Judeeërs die door de Babyloniërs naar Babel zijn weggevoerd, nadat de Babyloniërs in 597 v.Chr. voor de eerste keer de stad Jeruzalem veroverd hadden (Jeremia 29). Enkele jaren later spreekt hij in Rama de Judeeërs toe die naar Babel gedeporteerd gaan worden, nadat de Babyloniërs in 586 v.Chr. de stad Jeruzalem voor de tweede keer hebben ingenomen en stad en tempel hebben verwoest (Jeremia 30-31).
De ballingen in Babel zullen zich hebben afgevraagd: “Hoe nu verder?” In zijn brief gaat Jeremia daarop in. Jeremia schrijft over vier thema’s:
1. de leefwijze in de ballingschap (29:5-7),
2. het afstand houden van niet door JHWH gezonden profeten, waarzeggers en dromers (29:8-9),
3. de terugkeer naar het eigen land (29:10-11.14b)
4. de terugkeer naar JHWH (29:12-14a).

1. In de ballingschap moet men een “gewoon” leven leiden: huizen bouwen, akkers aanleggen, trouwen en kinderen krijgen. Deze drie centrale dingen uit het leven worden ook in Deuteronomium 20:5-7 genoemd, daar in het kader van oorlogswetten. Zij die nog niet in een zelfgebouwd huis hebben kunnen wonen, die nog niet van de vrucht van de eigen wijngaard hebben kunnen genieten, die nog niet getrouwd zijn met de vrouw waarmee een relatie is aangegaan, worden vrijgesteld van krijgsdienst. Tegen deze achtergrond van Deuteronomium 20 gelezen spreekt Jeremia in Jeremia 29:5-7 over leven dat van God de ruimte krijgt en dat gericht is op toekomst. Ook in de ballingschap kan met Gods zegen geleefd worden.
De ballingen moeten zich in Babel settelen. Zij moeten het zich voorlopig hun thuis maken. Zij moeten geen gedachten van slachtofferschap of wraak koesteren, maar de sjaloom voor de stad zoeken en voor de stad tot de Eeuwige bidden (Jeremia 29:7), dat is: voor de stad “ten goede bidden” (Jeremia 14:11), want de sjaloom van de stad betekent sjaloom voor de ballingen. Zo, handelend, biddend, moeten de ballingen positief bijdragen aan het leven op vreemde bodem. De ballingen worden dus voorbidders, zoals Abraham voorbede deed (Genesis 20:7) en Jeremia voorbidder is (Jeremia 7:16; 11:14; 14:11; 18:20; 21:2; 37:3.7; 42:2). “Bidt tot de Eeuwige”, verwacht dus niet je heil van andere goden, zoals mensen eerder deden (Jeremia 2:8.23, enz.). Ook in Babel kan tot de God van Israël (Jeremia 29:4) gebeden worden; Hij is overal bereikbaar.

2. Uit het boek Jeremia is duidelijk dat Jeremia’s profetische autoriteit betwist is. Er was verzet tegen Jeremia’s verkondiging dat koning en volk van Juda zich aan de Babyloniërs moesten onderwerpen. Veelvuldig had Jeremia dat zijn hoorders in de jaren voorafgaand aan 597 en 586 op het hart gedrukt. Die prediking vinden we in Jeremia 25-27. Bij onderwerping “zullen jullie het leven behouden” zegt hij erbij (Jeremia 27:17). Anderen die evenzeer zeiden namens God te spreken, verkondigden een heel andere boodschap. Zij spraken van een spoedige bevrijding van het juk van Babel (Jeremia 27:16; 28:2-4.11). Jeremia 28 vertelt over de confrontatie van Jeremia met een van hen, Chananja, op het tempelplein in Jeruzalem. Wie is de ware profeet? De ware profeet is ten diepste een gezondene (Jeremia 1:7). Zijn woord komt uit (Jeremia 28:9). Jeremia verwijt Chananja: “JHWH heeft jou niet gezonden.” (Jeremia 28:15), ook al spreekt Chananja met de profetische bodeformule “Dit zegt de HEER” (Jeremia 28:2.11). Jeremia’s voorzegging van Chananja’s dood komt uit (Jeremia 28:16-17). Ook in de brief in Jeremia 29 komt het thema van ware profetie versus leugenprofetie aan de orde. Scherp klinkt de waarschuwing tegen valse profeten in Jeremia 29:8-9. Zij praten mensen naar de mond: “Ze dromen slechts wat jullie wensen.” Opnieuw zegt Jeremia dat JHWH hen niet gezonden heeft (Jeremia 29:9).
De brief van de profeet staat niet toevallig hier in de rangschikking van het boek Jeremia. De Jeremia van Jeremia 29 is in Jeremia 28 een ware profeet gebleken. Hij spreekt hier met goddelijke autoriteit: “Dit zegt de HEER” (Jeremia 29:4.8.10.16.17.21). Ook in Jeremia 30-31 gebruikt de profeet vele malen deze formule (30:2.5.12.18; 31:2.7.15.16.23.35).

3. Na zeventig jaar zal de Eeuwige naar zijn volk omzien en zijn belofte van terugkeer in vervulling doen gaan (Jeremia 29:10). Zijn volk zal niet blijvend in ballingschap zijn, want Hij koestert gedachten van sjaloom over zijn volk (Jeremia 29:11). Ligt in onheilswoorden van Jeremia het motief voor het komend onheil in het handelen van mensen, in dit heilswoord ligt het motief in God. In hun zoeken van sjaloom voor de stad (Jeremia 29:7) kunnen de ballingen het beeld laten zien van de HEER met gedachten van sjaloom over mensen.
Zeventig jaren zal de verlossing op zich laten wachten. De periode was al genoemd in Jeremia 25:11.12. Men zal geduld moeten oefenen. De crisis is niet zomaar voorbij. Men moet zich instellen op een langdurig verblijf op vreemde bodem. Het zal een uitdaging zijn om het vol te houden.
In vers 11 wordt duidelijk wat de Eeuwige beoogt: toekomst en hoop, in NBG-1951 en NBV-2004 vertaald als “hoopvolle toekomst”. Dat begrip “hoop” klinkt ook in Jeremia 31:17. De ballingen mogen verwachten dat God te zijner tijd een keer zal brengen in het lot van zijn volk (Jeremia 29:14; 30:3; 31:23), zijn volk zal verzamelen (Jeremia 29:14; 31:8) en het zal terugbrengen naar het land van herkomst (Jeremia 29:10.14; 30:3; 31:8.16.17), een boodschap die Jeremia al eerder had verkondigd (Jeremia 16:15).

4. De periode van de ballingschap moet tevens een tijd van terugkeer tot de Eeuwige zijn, van naar Hem vragen met het gehele hart (Jeremia 29:12-14a). Dan laat de HEER zich vinden. Hier klinkt dezelfde belofte als in Deuteronomium 4:29. Ook in dit verband klinkt in de brief het woord “bidden” (Jeremia 29:12). De tijd van de ballingschap is dus ook een weg naar binnen.


Adri van der Wal
afgerond: 20 april 2020

Toevoeging: Rabbijn mr. drs. Raph Evers schreef in het Nederlands Dagblad van 2 april 2008 het volgende:

Het jodendom is een vredelievende religie en van de Tora in de meest brede zin wordt gezegd dat 'al haar paden vrede zijn' (Spreuken 3:17). Het Hebreeuwse woord voor vrede luidt sjalom. Het komt van het werkwoord sjaleem, dat volledig of perfect betekent. Het heeft de bijbetekenis van harmonie. De Tora bezigt de term sjalom in intrapsychische, intermenselijke, internationale en religieuze zin. Alles tezamen genomen zou men sjalom het beste kunnen vertalen als 'een toestand van volledige harmonie in iedere relatie'.
Het jodendom is niettemin geen onvoorwaardelijk pacifistische religie. De wereldvrede is een ideaal, dat pas in messiaanse tijden haalbaar wordt geacht. Wij zijn realistisch genoeg om te erkennen, dat er grote individuele en groepsverschillen bestaan. Toch zoeken wij via het sjalom-concept het verbindende element.