Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 16: 16-24 - Theo Witkamp

Zondag 21 mei 2017
Zondag 17 mei 2020

door Theo Witkamp

Het gedeelte van deze zondag is een onderdeel van een groter geheel. Het is de zgn. tweede afscheidsrede, die loopt van 16:4b-33. Deze rede vertoont zoveel overeenkomsten met die in 13:31-14:31, dat hij als een variant van de eerste beschouwd kan worden. In 15:1-16:4a was het vertrek van Jezus niet met zoveel woorden aan de orde gekomen, nu vormt dat weer het thema. Geregeld wordt vermeld dat Jezus weg zal gaan en dat zijn leerlingen daarom verdriet zullen hebben (16:5-6,16,20,21-22,32-33). Jezus reageert daarop met een ‘troostrede’ (Schnackenburg), die als doel heeft dat zij zullen beseffen, dat zijn vertrek in wezen diepe vreugde met zich mee brengt (16:20-24, vgl. 33). De reden daarvoor wordt expliciet in vs. 7 en vs. 33 vermeld: a. pas als Jezus weggaat kan de parakleet komen en wat deze te geven heeft is in het voordeel van de achterblijvers; b. Jezus’ vertrek (of: dood) is niet het teken van zijn mislukking, maar van zijn overwinning. Het inzicht hierin, dat de Geest der waarheid zal brengen, is in de situatie van het afscheid echter nog ver te zoeken. Dat merken we regelmatig aan de reacties van de leerlingen, zoals in vs. 17-20. Jezus zelf erkent dat hij nu nog in raadseltaal spreekt (16:25). Ook hier zal de Geest echter uitkomst brengen en onthullen wat hij eigenlijk bedoelde (en wat in de tekst van het evangelie zichtbaar is geworden).


We vinden in de tekst van ons gedeelte verschillende betekenislagen verweven. De eerste is die van het vertrek van Jezus. Over korte tijd zal hij de wereld verlaten en naar de Vader tergukeren (via de weg van het kruis). Zijn leerlingen zullen hem even niet meer zien. Hij zal zich echter snel weer tonen en wel met Pasen. Dan zullen ze vrede en vreugde kennen. In 20:19-23 wordt hier op teruggegrepen. Er is echter ook een andere tijdspanne en dat is dat Jezus echt definitief verdwijnt en dat er een tijd, een lange tijd, zal zijn dat hij niet meer in zichtbare zin onder hen zal leven. In die tijd zal ‘de wereld’ blij zijn dat ze van Jezus verlost zijn en zullen de leerlingen thlipseis ervaren (16:20-22). Wanneer men deze rampen en vervolgingen echter, zoals in de apokalyptiek, als geboorteweeën duidt, zal men zich realiseren dat er reden tot vreugde zal zijn. De pijn en het verzet hebben immers niet het laatste woord en de zege is zeker (vgl. 16:33). Bovendien zijn ze in die tussentijd niet alleen gelaten, Jezus zelf is in de vorm van de parakleet bij hen aanwezig en de Vader zal hen alles geven wat ze nodig hebben.

We vinden in ons gedeelte dus vooral bemoediging. Tegelijk valt op dat deze bemoediging geschiedt in de vorm van meerduidige woorden en in geheimtaal (vgl. 16:25). Daar zijn verschillende redenen voor. Allereerst is er sprake van gebrek aan bevattingsvermogen bij de leerlingen (16:12), ten tweede is de Geest nodig om door te kunnen dringen in wat waarheid is en de Geest komt pas later (16:7-15). Dit zijn echter meer dan historiserende opmerkingen van de evangelist. Het is nu, na Pasen, immers weliswaar in principe mogelijk tot de waarheid te komen, maar zonder mystagogie zal het niet gaan. Gods geheimen zijn openbaar, maar ze blijven geheimen die ontsluiting nodig hebben. Er zal bij alle onthulling tegelijk altijd het inzicht blijven: “wij weten niet wat hij zegt”(16:18). Het verschil met de positie van de leerlingen in de tekst is echter, dat die woorden nu niet meer voortkomen uit een grote innerlijke verwarring, maar een uiting van geestelijke wijsheid zijn en óók vreugde weerspiegelen.