Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 09 - Theo Witkamp

Zondag 26 maart 2017
Zondag 23 maart 2020

Van blindgeboren naar leven in het licht

Door Theo Witkamp
Johannes 9 vormt een prachtig voorbeeld van de vertelkunst van de vierde evangelist. Het hoofdstuk valt eenvoudig in zeven scènes in te delen wanneer we letten op tijd, plaats, handeling en spelers. Jezus staat alleen in het begin en aan het eind op het toneel, in de andere scènes gaat het om de lotgevallen van de genezen man zelf. Wat in Johannes 5 ook plaatsvond, wordt hier nog veel breder uitgewerkt. Niet de genezing zelf, maar de gevolgen en de betekenis ervan vormen het onderwerp van gesprek. Het hele verhaal is een metafoor en een vorm van mystagogie. We zien wat er gebeurt wanneer het licht in de duisternis schijnt. We zien hoe dit scheiding veroorzaakt en een keer brengt in wat vast en zeker leek: wie blind was wordt ziende, wie een helder zicht leek te hebben kan blind worden (39-41). Zonde is niet zozeer de oorzaak van blind zijn (3, vgl. 34), maar als je niet wilt zien, is dat wel zonde (41).
Het verhaal zit vol drama en ironie. Je zou vreugde en blijdschap verwachten na zo’n geweldig wonder, maar wat we zien is onzekerheid, conflict en angst. Het motief voor het conflict wordt in vs. 14 toegevoegd: het is sabbat en dan mag je niet werken. Jezus overtreedt dit gebod op twee manieren, want hij geneest terwijl er geen acuut levensgevaar is en hij werkt door een primitief geneesmiddel te maken. Daardoor kan de vraag gesteld worden of de genezing nu wel of niet ‘van God’ is (vs. 16). Maar het wordt direct ook ironisch wanneer men er niet uit komt en daarom de ervaring van de blindgeborene opeens niet meer gelooft (18). Het drama en de ironie worden sterker in wat volgt. Zijn ouders worden erbij gehaald. Zij houden echter de boot af, want ze zijn bang voor de gevolgen – en terecht (22,34). Vervolgens willen de Farizeeën dat de man zijn eigen ervaring ontkent (24), waarbij zij zomaar uit het dilemma van vs 16 gekomen lijken te zijn (‘wij weten’). De man laat echter zich niet intimideren en blijft bij wat hij zelf ervaren heeft. Hij vraagt zelfs ironisch of zij ook leerlingen van Jezus willen worden. Die suggestie wijzen zij nadrukkelijk van de hand, want je kunt onmogelijk tegelijk leerling van Mozes en leerling van Jezus zijn (28, maar vgl. 5:45-47). De blindgeborene wijst hen erop dat Jezus’ daden toch echt laten zien dat hij van God komt en snapt niet dat zij dit niet in de gaten hebben (30-33, vgl. 10:37-38). Hoon en uitsluiting is zijn deel. Maar dat is ook het moment dat hij Jezus weer ontmoet en nu met open ogen. Nu vindt er een ontmoeting plaats en hij treedt binnen in diens vriendenkring.
Johannes 9 is geen gewone vertelling van een geschiedenis van lang geleden. Het is een ‘two-level-drama’ (J.L. Martyn). De schrijver heeft het verhaal over Jezus zo verteld, dat het conflict tussen bepaalde joden en bepaalde christenen aan het eind van de eerste eeuw voelbaar is. Wat in 16:2 als toekomst wordt voorspeld (‘je zult uit de synagoge gezet worden’) wordt in 9:22,34 reeds als realiteit gepresenteerd. De eigen ervaringen vinden hun wortel in de ervaringen van Jezus, maar zijn niet wezenlijk anders en zijn ook echt Jezus-ervaringen, vertelt hij daarmee. Dat geeft troost en inzicht aan de lezers. (Wij kunnen de woorden ‘de joden’ uiteraard niet meer gebruiken op de manier waarop dat gebeurt in het evangelie naar Johannes. We kennen het probleem van deze meestal negatieve stereotypering inmiddels maar al te goed.)
In dat drama op twee niveaus zien we tegelijk ook een allegorie van de geestelijke weg. De weg van duister naar licht kan in ieder leven plaatsvinden en deze zal zeker met moeiten gepaard gaan. Hij zal je tot in de diepte van je identiteit ingrijpend veranderen. De vraag naar de identiteit van de man is inderdaad steeds aan de orde. Wat zijn de bepalende factoren in zijn bestaan (2)? Wie is hij? Is hij dezelfde als vroeger (8-9)? Zijn ouders kennen hun zoon wel van vroeger, maar niet van nu (20-21). Op agressieve wijze accepteren de joden zijn nieuwe hoedanigheid niet (18) en pinnen hem vast op zijn afkomst (34). Voor de schrijver is dat alles echter niet meer dan aardse kennis (3:6). Waar het om gaat is dat de man nu gedefinieerd moet worden vanuit de radicale verandering die zich aan hem voltrokken heeft (3,11,17,25,30). Hij is niet ‘in zonde geboren’ (34), maar ‘van boven’ (3:3), ‘uit God’ (1:12-13) en daardoor in staat om het koninkrijk van God te zien (3:3) en binnen te gaan (9:37). Hij begrijpt ‘waarvandaan’ Jezus is (30) en kan hem daarom herkennen (38). Om hier te komen heeft hij een hele weg moeten afleggen, die ermee begon dat hij zich de schellen van de ogen ging wassen, vervolgens dat hij bij herhaling zijn nieuwe identiteit moest bevestigen, ook al snapte hij het zelf allemaal nog niet, om uiteindelijk vrij en onomwonden de bron van zijn licht te omarmen.