Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 09: 1-5 - Peter Tomson

Zondag 13 augustus 2017
Zondag 9 augustus 2020

‘De verkiezing van Israël’
door Peter Tomson

Zie ook de Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

In de inleiding op Romeinen (zie website) heb ik laten zien dat Rom 9-11 het centrum van de brief vormt. Dit wordt nog duidelijker doordat een concentrische structuur ontstaat wanneer je Rom 5:1-8:39 ziet als een ‘algemene uitweiding’ over geloof, verzoening, zonde en wet, en 12:1-13:14 als een ‘algemene uitweiding’ over leefregels. Rom 9-11 staat daar precies tussenin als de kern van de brief, en 1:18-4:31 en 14:1-15:13 staan er aan weerszijden omheen als ‘inleiding’ en ‘toepassing’ met het oog op besnedenen en onbesnedenen.
Vandaag dus het begin van dit centrale gedeelte. Het past in de verte wel bij ‘Jona’s dankgebed na zijn uitredding’ in Jona 2, en dan ook bij Mat 14:22-33, waar Jezus, ‘gaande over het meer’, zijn kleingelovige leerlingen te hulp komt.
Paulus slaat in de eerste twee verzen van Rom 9 een sterk ‘emotionele’ toon aan, wat volgens de conventies van de antieke retoriek op zich al duidelijk maakt dat hier een kerngedeelte volgt. Het ‘grote verdriet’ en de ‘aanhoudende smart’ gelden zijn ‘volksgenoten naar het vlees’, zijn mede-Joden ‒ bedoeld wordt: niet-gelovige mede-Joden. Het volgende vers maakt dat duidelijk: omwille van hen zou Paulus ‘wel willen bidden’ (een in het NT zeldzame conjunctivus imperfectum), ‘zelf van Christus verbannen te worden’. In deze irreële wens herkennen vele uitleggers een bedekte toespeling op Ex 32:32, waar Mozes boven op de Sinaï bidt voor het volk dat gezondigd heeft en door God dreigt te worden uitgeroeid: vergeef het volk, of schrap mij anders uit uw boek! Ook heftige taal.
Dat het gaat om zo’n toespeling is aannemelijk gezien de aanhaling van het verhaal van Elia op de Horeb (1 Kon 19) in Rom 11:2-4. Horeb is een andere naam voor Sinaï, en Elia en Mozes horen vanouds bijeen als ‘profetische bergbeklimmers’ (zie uiteraard ook Jezus op de berg, Mar 9:2-8). Maar ze zijn elkaars tegendelen. Waar Elia voor God pleit tegen het volk dat hem naar het leven staat, pleit Mozes voor het volk, desnoods ten koste van zijn eigen leven. Dat is de positie die Paulus kiest in ons gedeelte. Het kan alleen een indirecte toespeling zijn omdat Paulus zich niet op gelijke hoogte als Mozes kon stellen.
De verzen 4 en 5 zijn minstens zo belangrijk. De NBV (‘omwille van hen, de Israëlieten’) geeft mooi aan dat dit een voortzetting is van vers 3, over Paulus’ volksgenoten om wie hij zo’n hartzeer heeft. Door de retorische herhaling (anafora) in de erop volgende bijzinnen klinken deze verzen als een plechtige opsomming van ‘de voorrechten van Israël’. In de volgende gedeelten zal Paulus duidelijk maken dat je als ‘Israëliet’ niet automatisch ‘zalig’ wordt: geloof/vertrouwen is onontbeerlijk. Daarom moeten we inderdaad Rom 9:4-5 zien in het licht van Ex 32, waar Mozes bij God pleit voor het volk dat Hij toch verkozen heeft en liefheeft.
Over het bijzondere van het gebruik van ‘Israël’ in Rom 9-11 zie de inleiding (website).