Joods-Christelijke Dialoog

Romeinen 08: 35.37-39 - Peter Tomson

Zondag 6 augustus 2017
Zondag 2 augustus 2020

‘Niets kan ons scheiden’


door Peter Tomson

Zie ook de Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.

Het ‘brood uit de hemel’ in Nehemia (waar je eigenlijk het geschenk van de sabbat en de geboden in Neh 9:14 bij moet nemen, vooronderstelling van de gave van het manna) past mooi bij het evangelie. Maar bij onze briefpericoop past de herhaalde nadruk op Gods genade, barmhartigheid en lankmoedigheid uit het grote gebed van de Levieten in Neh 9 (waarvan de taal trouwens de toon heeft gezet voor de joodse gebeden van later eeuwen, zie m.n. Neh 9:5!).

In de voorafgaande verzen, die het rooster weer overslaat (Rom 8:31-34), staat een samenvatting van het middendeel van de geloofsbelijdenis: Jezus is voor ons gestorven, hij is opgewekt, hij zit aan Gods rechterhand, en daar pleit hij voor ons. De grote beweging van de Geest die ons één maakt met de zoon, waar heel dit hoofdstuk over gaat, komt tot haar bekroning. Begrijpelijk dat deze lofzang van geloofsvertrouwen vaak op uitvaarten wordt gelezen. De Geest ‘pleit’, met ons mee zuchtend (8:26), de Geest ‘pleit’ bij God voor ons (8:27), en nu ‘pleit’ de verheerlijkte Christus voor ons. Het kan niet meer stuk!

En toch is er nog sprake van verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar, het zwaard! Paulus weet waar hij over spreekt, dat laat hij elders zien (2 Kor 11:23-27). Hij kan de weerstand die het evangelie oproept ook zien in het licht van ‘de god van deze wereld die de ongelovigen verblindt’ (2 Kor 4:4). Die meer sombere manier van zien hebben we hier niet. Paulus is geen dogmaticus maar een retor, een prediker die zijn betoog aanpast aan de situatie waar hij voor staat. In 2 Korintiërs heeft hij te maken met taaie weerstand in zijn kerk en moet hij druk uitoefenen, hier in Romeinen wil hij juist verbinden, joodse en niet-joodse gelovigen samen meenemen in de beweging van Gods koninkrijk (zie inleiding op Romeinen, op de website).

Hij moet er véél van nodig hebben gehad, van dat geloofsvertrouwen. Als Paulus dit schrijft, is hij op weg naar Jeruzalem met het geld van de inzameling onder de heidenkerken (Rom 15:25-28). Het is waarschijnlijk dezelfde reis naar Jeruzalem als waar Hand 21 van vertelt, en het is zijn laatste. De weerstand onder de fanatieke ‘ijveraars’ in Judea leidt tot zijn arrestatie en bijna wordt hij gelyncht. Uiteindelijk is hij in Rome als martelaar gestorven, vertellen de kerkvaders ons. Alles heeft hij gegeven voor het goede nieuws van het koninkrijk, nu moet hij ook zijn leven geven. Dit te weten bewaart ons voor triomfalisme, voor het militante ‘Voorwaarts Christenstrijders’ dat de wereld wil veroveren.

Het koninkrijk werkt, als zaad verloren in de aarde, als zuurdesem dat opgaat in het brood. Het heeft de tijd, en daarin mogen wij rusten, vol vertrouwen. ‘Niets kan ons scheiden van God die ons liefheeft in Christus Jezus onze Heer.’