Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 25 juni 2017
Zondag 1 maart 2020
Zodag 26 juni 2020

'Adam en Christus’


door Peter Tomson

Zie ook de Inleiding die Peter Tomson schreef bij de perikopenreeks uit Romeinen.


De evangelielezing gaat onverstoorbaar verder (Mat 10:16-33 ‘als schapen onder de wolven’), maar het klaaglied van Jeremia (Jer 20:7-12 ‘Jeremia’s zielestrijd’) resoneert met onze pericoop.
Na de uitvoerige bespiegeling over het geloof van Abraham onze vader, doorgetrokken naar het verzoenend lijden van Izaak/Christus, komt nu een volgend overkoepelend beeld dat Joodse en niet-Joodse gelovigen verenigen kan (zie mijn inleiding, ‘Paulus schrijft aan de kerk van Rome’, op de website). Het is de bekende parallelstelling van Adam en Christus, die o.m. op mideeleeuwse retabels een plaats kreeg in de afbeelding van Adam in zijn doodsslaap onder het kruis van Jezus. Adam, dat zijn wij allen, en zijn verhaal van zonde en dood (en dat van zijn kinderen vanaf Kaïn) is ons verhaal. In deze parallelstelling wordt Christus een type zoals Adam, de ‘ene mens’ die alle mensen in zich verenigt.
Paulus brengt de parallel tussen die twee ‘universele mensen’ ook ter sprake in het grote hoofdstuk over de opstanding, de tweede maal in de vorm van de ‘eerste Adam’ en de ‘laatste Adam’ (1 Kor 15:20v., 45). Hierachter speelt een andere parallel: die tussen de Adam van het eerste scheppingsverhaal (Gen 1:1-2:3) en de Adam van het tweede (Gen 2:4-25). Deze parallel is op zijn manier uitgewerkt ook door Philo van Alexandrië, nl. als de verhouding tussen de eerste mens, de ‘ideaal-mens’ geschapen naar Gods beeld, en de mens die is gevormd uit de aarde, zondigt en een wet nodig heeft (Legum allegoriae 2.4).
Philo hanteert de parallel in Platoonse zin: de materiële schepping is een afspiegeling van de ideële werkelijkheid. Paulus ziet het andersom en vat de parallel op in apocalyptische zin: de ‘tweede Adam’ is eigenlijk de eerste, die is geschapen naar Gods beeld. Daartussen hoeft geen tegenstelling te bestaan, wanneer je de ‘ideale mens’ van Gen 1:25v. niet slechts als ‘verleden tijd’ beschouwt, maar als een belofte die ieder mens in zich draagt en die in Christus oplicht. God heeft de wereld goed geschapen, belijden we met Genesis, met de de mens in zijn beeld erbij zelfs ‘zeer goed’ (Gen 1:31).
Bij Paulus loopt de parallel door naar het volgende hoofdstuk, en de verbinding wordt gelegd door het woord homoiôma, ‘gelijkenis’. Hij gebruikte het woord al in Rom 1:23 in de uitdrukking ‘de gelijkenis met het beeld’ (van een sterfelijk mens). Nu gebruikt hij deze nog tweemaal, in 5:14 als de ‘gelijkenis met de overtreding van Adam’, en in 6:5 de ‘gelijkenis met zijn (Christus’) dood en ... opstanding’.