Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 27 december 2020 

‘Om Sions wil niet zwijgen’


Door Tineke de Lange
De lezing van vandaag maakt deel uit van het ‘zevende bedrijf’ (Berges, 218) van het boek Jesaja, dat de hoofdstukken 56-66 omvat en beter bekend is onder de naam Trito-Jesaja. De terugkeer uit de ballingschap en de (gewenste) herbouw van de tempel vormen het decor van dit bedrijf. De ballingen hebben Babel achter zich gelaten (Jesaja 40-55) en keren verwachtingsvol terug naar Juda, naar de stad Jeruzalem. Maar zoals het vaker gaat met grote verwachtingen laat de teleurstelling niet lang op zich wachten. Stad en tempel liggen in puin en de achtergebleven bewoners tonen zich weinig bereid de bannelingen welkom te heten en tempel en cultus te herstellen. Vandaar dat in Jesaja 56-66 heilsaankondigingen en aanklachten aan het adres van het volk en hun leiders elkaar afwisselen. In het midden van dit zwenken tussen hoop en teleurstelling, in Jesaja 60-62, straalt Sion echter als plaats van licht en heil.
Jes. 61,10-62,3 valt in twee delen uiteen: de vreugde van Gods bode (61,10-11) en de heilsaankondiging over Sion (62,1-3). De afbakening van de perikoop is niet heel gelukkig – het verdient de voorkeur de cesuur niet na 62,3 maar na 62,5 te leggen.
De spreker in Jesaja 61,10 wordt in de literatuur meestal aangeduid als ‘vreugdebode’ of ‘profeet’. Zelf beschrijft hij zich in het begin van het hoofdstuk als ‘gezalfde’ op wie de geest van JHWH rust (61,1) om bevrijding en hoop te verkondigen (61,1-3), zodat het volk van God weer ‘priester’ en ‘dienaar’ mag heten (61,6). De woorden ‘kroon’ en ‘vreugde’ (‘olie van vreugde’) van vers 3 klinken opnieuw in vers 10: de vreugde en de jubel van de vredebode in vers 10-11 houden verband met zijn opdracht en zijn verkondiging. De profeet beschrijft hoe God hem als het ware aankleedt: hij wordt omhuld met het ‘kleed van de bevrijding en ‘de mantel van de gerechtigheid’ (v. 10b). Op zich al een metafoor, die extra kleur krijgt door een tweede metafoor, die van de bruidegom en bruid die zich tooien voor de bruiloft (v. 10c). De volgende reden voor de vreugde van de bode (v. 11b) ligt in de komende realisatie van de door God aangekondigde gerechtigheid. Hier wordt de taal van de landbouw en van de vruchtbare aarde gebruikt: JHWH doet gerechtigheid ‘ontspruiten’, zoals de aarde gewassen voortbrengt en in een tuin het zaad (v. 11a). De metaforen van de bruiloft en de vruchtbare tuin staan niet los van elkaar. Zoals in het boek Hooglied het beeld van bruid en bruidegom en dat van de tuin als plaats van verwerkelijking van de liefde bij elkaar horen, zo vormt hier de opdracht van de spreker de voorbereiding op de realisatie van Gods gerechtigheid (Beuken, 217). En dat alles voor het oog van alle volkeren!
In Jes. 62,1 spreekt de profeet de stad Sion/Jeruzalem rechtstreeks aan. Net als in 61,1 begint hij met een verwijzing naar met zijn opdracht, die hij deze keer negatief formuleert: ik zal niet zwijgen, ik zal niet stil zijn (62,1). In vers 1-5 keren verschillende motieven en lijnen uit het voorafgaande hoofdstuk terug; zo resoneert ‘schijnsel (Hebr.: ‘nogah’) van gerechtigheid’ in vers 1 met Jes. 61,3 respectievelijk 61,10.11 en bevrijding (61,10), en vinden we in v. 4-5 opnieuw de metafoor van het huwelijk.
De verkondiging in 62,2 betreft de nieuwe naam voor Jeruzalem en ommelanden. Liever gezegd: in vers 2 wordt de nieuwe naam aangekondigd, in vers 4-5 wordt hij in veelvoud gegeven. Wegens het verband tussen de verzen verdient het de voorkeur de afbakening van de zondagslezing te negeren en gewoon door te lezen.

Tussen aankondiging van de naam en de uitwerking vinden we in vers 3 het beeld van Jeruzalem als schitterende kroon en koninklijke tulband: dankzij haar stralende gerechtigheid zal Jeruzalem de kroon van God zijn. Opmerkelijk genoeg bevindt deze kroon zich niet op het hoofd maar in Gods hand. Dat kan zijn om de suggestie te vermijden dat Jeruzalem boven God zou staan of om associaties met beelden uit de omliggende culturen uit de weg te gaan. Het ligt echter meer voor de hand ‘in de hand van je God’ te lezen als uitdrukking van Gods beschermende aanwezigheid, zoals o.a. in Jes. 42,6 en 51,16.

De nieuwe namen voor Jeruzalem (v. 4-5) passen bij het motief van het huwelijk dat we uit Hosea, Jeremia en Ezechiël kennen als metafoor voor de relatie tussen God en volk. Als ware Hij een bruidegom, zo zal God zich verheugen in zijn bruid Jeruzalem (v. 5). In het Hebreeuws wordt voor de vreugde van de bruidegom hetzelfde woord gebruikt als voor de vreugde van de profeet in 61,10. De bode van God vindt zijn vreugde in JHWH, zijn God; God vindt zijn vreugde in het herstelde Jeruzalem, licht voor de volkeren, baken van rechtvaardigheid.

Literatuur
Berges, Ulrich. “Jesaja.” In De bijbel literair. Opbouw en gedachtegang van de bijbelse geschriften en hun onderlinge relaties, red. Jan Fokkelman en Wim Weren, 203-221. Zoetermeer/Kapellen: Meinema/Pelckmans, 2005.
Beuken, W.A.M. Jesaja III A, POT. Nijkerk: Callenbach, 1989.