Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 28:16-20 - Adri van der Wal

Zondag 7 juni 2020

De evangelist Matteüs bouwt zijn boek over Jezus op de structuur van TaNaCh, waarin Beresjiet / Genesis aan het begin staat en 2 Kronieken aan het slot. Dat is aan verschillende aspecten te zien. Ik noem enkele. De evangelist begint zijn boek met de woorden “Boek van de wording van Jezus Christus” (NBG-1951: geslachtsregister van Jezus Christus; NBV-2004: overzicht van de afstamming van Jezus Christus). Daar gebruikt Matteüs het woord “genesis”, “wording”. Daarmee refereert hij aan het eerste Bijbelboek. In de erop volgende geslachtslijst van Jezus volgt Matteüs de opbouw van de genealogie van Genesis 5.
Een volgende aanwijzing vinden we in Matteüs 23, waar Jezus spreekt over rechtvaardig bloed dat op de aarde is vergoten, “vanaf het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zecharja, de zoon van Berechja” (vers 35). Over Abel gaat het in Genesis 4, over deze Zecharja in 2 Kronieken 24:20-21. Hier ligt een verbinding van beginboek en slotboek van TaNaCh.
Aan het einde van zijn evangelie refereert Matteüs in Matteüs 28:16-20 opnieuw aan 2 Kronieken, en wel aan de afsluitende passage, het “Edict van Cyrus” in 2 Kronieken 36:22-23. Met dit besluit geeft deze Perzische koning de Judeeërs die in Babel in ballingschap verblijven, toestemming om terug te keren naar het land van herkomst. Cyrus geeft in het edict drie dingen aan: dat de HEER, de God van de hemel, hem alle koninkrijken op aarde heeft gegeven, dat de HEER hem, Cyrus, heeft opgedragen voor Hem een huis te bouwen in Jeruzalem (vergelijk Jesaja 44:28), en dat ieder die tot enig deel van zijn volk behoort, met Gods bijstand mag vertrekken naar Juda.
In Matteüs 28:18-20 zien we dezelfde drieslag als in het Edict van Cyrus: gegeven macht (vers 18) – opdracht (vers 19-20a) – toezegging van nabijheid (vers 20b). Cyrus baseert zijn opdracht tot tempelbouw op de van Hogerhand ontvangen macht. Jezus geeft zijn opdracht aan zijn elf op de berg in Galilea verzamelde leerlingen vanuit de door God aan Hem gegeven macht. Daar moet dan ook bij de uitleg het accent op vallen. Vanuit de gave van macht volgen de opdracht en de belofte van bijstand.
Jezus krijgt macht aangereikt. In het evangelie gebeurt Hem dat eerder. In Matteüs 4:9 staat Jezus op een berg en wil de duivel Hem alle koninkrijken en hun pracht geven in ruil voor aanbidding. Jezus weigert. Nu klinkt het ‘geven’ opnieuw. Het wordt in het passief gesteld: “Mij is alle macht gegeven”. Met deze formulering duidt Jezus aan dat God Hem die macht heeft gegeven. Het moment is van betekenis. Het is de Jezus van na zijn opstanding die dit zegt. Hij die in leven, dood en opstanding de weg van God gegaan is, de weg der rechtvaardigheid (Matteüs 21:32), die trouw gebleken is, krijgt nu macht in de hemel en op de aarde. Hij zag zich immers als de Mensenzoon (Matteüs 17:22; 20:18; 26:2), de door God met macht beklede (Daniël 7:14). Zijn macht reikt boven die van Cyrus uit. Aan Cyrus zijn alle koninkrijken op aarde gegeven, aan Jezus alle macht in de hemel en op de aarde.
Als machtige zendt Jezus zijn leerlingen uit, zowel de aanbidders als de twijfelaars. Hij maakt geen onderscheid. Zij worden naar alle volken gezonden om hen tot Jezus’ leerlingen te maken. Een mondiale focus, zoals de God van TaNaCh de God der ganse aarde is (onder meer Maleachi 1:11) en alle volken worden opgeroepen Hem te loven (onder meer Psalm 96:1; 98:4; 100:1). Jezus’ opdracht gaat in de lijn van Psalm 96:3: “Maak aan alle volken zijn majesteit bekend, / aan alle naties zijn wonderdaden.” Ook is een verband met Matteüs 24:14 zichtbaar: “verkondigd als getuigenis voor alle volken”. De doop is het zichtbare teken van leerling worden en leerling zijn.
De leerlingen worden daarnaast geroepen mensen te leren. In Matteüs 4:23 en 9:35 wordt Jezus op vier manieren getypeerd: rondtrekkend, onderricht gevend, verkondigend, genezend. Bij de (eerste) uitzending in Matteüs 10 draagt Jezus drie werkwijzen op aan zijn leerlingen: rondtrekken, verkondigen en genezen (Matteüs 10:7-8). Nu krijgen zij ook zijn vierde taak opgedragen: het leren. Nu legt Hij al zijn werk in hun handen, vertrouwt dat toe aan mensen die geruime tijd oog- en oorgetuigen zijn geweest van Jezus’ optreden.
Hij blijft er zeker bij betrokken: “Ik ben met jullie”. Zoals God Mozes zijn betrokkenheid toezegt, “Ik zal bij je zijn.” (Exodus 3:12), en dat ook Jeremia toezegt (1:8), zo zegt Jezus de elf zijn nabijheid toe voor de taak die ze wacht. Weldadig is deze toezegging die nader wordt geconcretiseerd met “alle dagen” en “tot aan de voltooiing van deze wereld”. Ook zij staan er niet alleen voor en kunnen blijvend op ondersteuning rekenen.


Adri van der Wal
30 maart 2020