Joods-Christelijke Dialoog

Matteüs 13: 1-23

Zondag 16 juli 2017

De gelijkenis van de zaaier

Door Peter van ’t Riet

De lezing voor deze zondag bestaat uit drie gedeelten: 1. De gelijkenis van de zaaier; 2. Jezus’ onderwijs over het gebruik van gelijkenissen; 3. De uitleg van de gelijkenis. In vers 11 blijkt dat het erom gaat de geheimen van het koninkrijk van de hemel te leren kennen. Maar een koninkrijk kan niet zonder (grond)wet en zonder de uitwerking daarvan op de praktijk van de samenleving. Naar joodse opvatting is de grondwet van Gods koninkrijk de Tora, en er is geen enkele reden om aan te nemen dat dat voor Jezus anders was (zie Matteüs 5:17-18).(1) Het gaat dus ook nu weer om Jezus’ onderwijs in de Tora, waarbij Tora zowel de schriftelijke Tora als de mondelinge Tora uit zijn dagen omvat. Ik plaats enkele algemene kanttekeningen.

Het spreken in gelijkenissen komt in alle religies voor, maar is wellicht meer typisch voor een Oosterse manier van betogen dan voor een Westerse, die meer op filosofische abstracties is geënt. Een van de eerste gelijkenissen in Tenach is die van Jotam in Richteren 9:8-15. Opmerkelijk is dat deze evenals de gelijkenis van de zaaier uit vier strofen bestaat: olijfboom, vijgenboom, wijnstok en doornstruik, drie positieve en één negatieve vergelijking. Bij Jezus is dat: platgetrapte weg + vogels, rotsgrond + zon, wilde grond + doorns, cultuurgrond + opbrengst, drie negatieve en één positieve associatie. Ook in Richteren wordt de uitleg erbij vermeld (vers 16-20), die tevens een profetie blijkt in te houden (vers 21-57). Beide gelijkenissen worden bovendien nog eens verbonden door het beeld van de doorns en de doornstruik.

Dat een gelijkenis een geheimenis (mustèrion) of verborgen bedoeling bevat (vers 11b), is inherent aan dit literaire genre. De bedoeling kan velerlei zijn. Bijvoorbeeld om de luisteraar niet onmiddellijk tegen zich in het harnas te jagen (Jotam). Of om mensen met elkaar te laten nadenken over de betekenis van de gelijkenis, zodat er een gemeenschappelijke werking vanuit kan gaan. Of om de betekenis alleen in de eigen groep bekend te doen zijn, zodat er een versterking van de groepsidentiteit vanuit zal gaan. Dat laatste lijkt hier het geval te zijn (vers 11c). Binnen het geheel van het Matteüsevangelie is dat niet vreemd. Meer dan bijvoorbeeld bij Lukas geeft Jezus bij Matteüs zijn onderwijs in de beslotenheid van zijn discipelkring.(2)

De gelijkenis van de zaaier (= de Tora-leraar) zou de indruk kunnen wekken dat de reacties waarmee de grondsoorten (= de luisteraars) reageren op het zaad (= het Tora-onderwijs), bepaald worden door hun karakter dat hun wellicht zelfs door de “voorzienigheid” is meegegeven. Een dergelijk interpretatie in termen van een onontkoombaar persoonlijk lot is het Jodendom echter vreemd. Dat is duidelijk te zien in de gelijkenis van Jotam: De bomen (de inwoners van Sichem) kiezen zelf voor de doornstruik (Avimèlech) en houden daaraan ook na Jotams waarschuwing vast. Daarom hebben zij de desastreuze gevolgen van hun keuze aan zichzelf te danken. Naar joods-Bijbels inzicht is het kwaad in de wereld geen noodlot, maar het gevolg van verwerpelijke morele beslissingen van mensen. Dat is ook het uitgangspunt waarmee de gelijkenis van de zaaier moet worden gelezen. Mensen kiezen zelf tot welke grondsoort zij willen behoren en of zij ontvankelijk willen zijn voor het zaad. Determinisme - van welke wetenschappelijke of filosofische soort dan ook - reduceert immers het beelddragerschap van God in de mens, en verlaagt hem tot een veredeld dier. Wie Bijbelteksten deterministisch uitlegt, kan het boek voor elk doel misbruiken.

Tegen die achtergrond moeten we ook een zinsnede proberen te verstaan als: “Omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen” (vers 13). Een uitleg zoals: “Aan hen is het onderwijs in de Tora niet besteed,” is dan niet aan de orde. Wel: “Zij kiezen ervoor zich niet in de Tora te verdiepen teneinde die te begrijpen.” Ook voor Tora-onderwijs geldt immers dat het niet passief kan worden aangehoord, maar dat de leerling zelf zijn best moet doen zich de teksten eigen te maken door ze met een leraar te bestuderen en ze in praktijk te brengen. Dat is ook de context waarin vers 12 zich laat verklaren. De zin: “Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden,” moet beslist niet economisch worden opgevat. Het gaat hier om het onderricht in de Tora, de grondslag van het Koninkrijk der hemelen. Daarom kan deze tekst geparafraseerd worden als: “Wie Tora studeert, zal inzicht verkrijgen en hij zal overvloedige kennis hebben, maar wie geen Tora studeert, ook wat hij aan de weet komt, zal hij snel weer vergeten.” Dat het om een eigen keuze gaat, wordt ook in vers 15 duidelijk: “Hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen.”

In vers 16 tot slot wordt de joodse gedachte verwoord dat elke volgende generatie (hier Jezus’ discipelen), meer Tora-kennis heeft dan de vorige (profeten en rechtvaardigen). Ongetwijfeld moet hierbij ook gedacht worden aan de tekenen van de messiaanse tijd die kenmerkend zijn voor het optreden van Jezus. De goede grond in de gelijkenis is de keuze van zijn aanhangers om onder Jezus’ leiding Tora te studeren ten einde het koninkrijk van de hemel, de messiaanse tijd, naderbij te brengen in het persoonlijk en maatschappelijk leven. Intelligentie en leervermogen zijn daarbij van ondergeschikt belang. Veel belangrijker zijn leergierigheid en motivatie. Dan maakt het niet uit of het resultaat honderd-, of zestig- of dertigvoudig is. Er valt voor iedereen wel iets te leren en te doen uit de Tora.

Noot

1. Zie mijn bijdrage aan deze website voor zondag 12-02-2017 over Mat. 5:17-26.
2. Zie mijn boek “Lukas versus Matteüs”, Kok, Kampen 2005, p. 268-269.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.

Evangelie