Joods-Christelijke Dialoog

Johannes 11: 1-44

Zondag 2 april 2017

De opwekking van Lazarus
Door Peter van ’t Riet

Het verhaal over de opwekking van Lazarus is het langste en meest uitgesponnen verhaal in het vierde evangelie. Bovendien bevindt het zich ook nog eens in het hart, het centrum, van dit evangelie. Verder is het een scharnierverhaal: Het is de afsluiting van het eerste deel (waarin Jezus zeven levenstekens laat zien) en het begin van het tweede deel (waarin leven, dood en opstanding centraal staan).(1) Alleen al daarom zou dit verhaal een belangrijke rol moeten spelen in de discussie over het auteurschap van dit evangelie. Wat helaas nauwelijks het geval is.

Opmerkelijk is ook dat Lazarus en zijn beide zusters aan het begin van dit verhaal geïntroduceerd worden op een wijze alsof de lezer hen al zou kennen. En dat terwijl ze tot dan toe nog geen enkele keer bij naam zijn genoemd. De zalving van Jezus voeten, d.i. de actie waaraan Maria herkend wordt (vers 2), moet dan zelfs nog verteld worden (12:1-8). De lezer wordt dus geacht al iets van Lazarus en zijn zusters te weten, nog voordat zij het verhaal binnenkomen. Bij nader inzien is dat echter niet zo vreemd: In de eerste helft van het evangelie komen enkele enigszins mysterieuze figuren voor: Een niet bij naam genoemde eerste discipel van Jezus (1:35v); de bruidegom in Kana (2:1v) en een naamloze Judeeër (3:25).(2) Er zijn diverse argumenten om deze personen te identificeren met Lazarus.(3)

Een derde opmerkelijk feit in het verhaal over Lazarus’ opwekking is de wijze waarop de relatie tussen Jezus en Lazarus wordt beschreven. Ook daaraan wordt in de kerkelijke traditie te weinig gewicht gehecht. Aan het begin van het verhaal wordt namelijk over Lazarus gezegd: “Zie, die(n) jij [Jezus] liefhebt (fileis), is ziek” (vers 3). Het is dus Jezus die Lazarus liefheeft. Hoe zou dat kunnen als zij elkaar nog niet eerder ontmoet hebben? Aansluitend horen we nogmaals dat Jezus Lazarus en zijn zusters liefheeft (ègapa)(vers 5). En bij deze twee keer blijft het niet. Even later zegt Jezus tegen zijn discipelen: “Lazarus, onze geliefde (filos), is ingeslapen” (vers 11). Door filos hier met “vriend” te vertalen, wat veel vertalingen doen, gaat het filologisch verband met de andere genoemde verzen geheel verloren. Vandaar dat ik hier vertaal met “geliefde”. Als Jezus nog weer later weent om de dood van Lazarus, zeggen de Judeeërs: “Zie hoe lief (efilei) hij hem had” (vers 36). Daarmee is Lazarus (afgezien van zijn zusters) de enige bij naam genoemde discipel waarvan gezegd wordt dat Jezus van hem hield. En wel vier keer in dit centrale verhaal!

Vervolgens komen we dit beeld van een “discipel die(n) Jezus liefhad” nog drie keer tegen in de tweede helft van dit evangelie, drie keer zonder dat diens naam wordt genoemd. Alle drie de keren is deze discipel bij buitengewoon belangrijke gebeurtenissen aanwezig: Aan de laatste maaltijd (ègapa, 13:23), onder het kruis (ègapa, 19:26) en bij het lege graf (efilei, 20:2). In totaal wordt dus 7 keer van een discipel gezegd dat Jezus van de betrokkene hield: 4 keer met het werkwoord fileoo, 3 keer met agapaoo. Voor de argeloze eerste lezer - die nog niet op de hoogte was van de latere kerkelijke traditie dat de apostel Johannes dit evangelie zou hebben geschreven - was er dus maar één conclusie mogelijk: De discipel die(n) Jezus liefhad, moest wel Lazarus zijn. In die conclusie werd hij stevig ondersteund door een van de hermeneutische regels uit de farizese (later rabbijnse) traditie, te weten de gezerah sjawah. Dat is de afleiding door middel van (werk)woordanalogie: Als twee teksten woorden van dezelfde werkwoordstam bevatten, mag de ene tekst worden uitgelegd met behulp van de andere. Wie wil weten wie de “discipel die(n) Jezus liefhad” mag zijn geweest, kan in onze perikoop het antwoord vinden. Zelfs wel vier keer.

Bovenstaande betekent dat Lazarus kan worden gezien als de centrale discipel in dit evangelie en als de belangrijkste tradent van de tradities die in dit evangelie zijn weergegeven. In plaats van het “Evangelie van Johannes” zouden we er goed aan doen voortaan te spreken van het “Evangelie uit de School van Lazarus”. Deze herkomst verklaart vervolgens ook de grote verschillen die er zijn tussen dit evangelie en de drie synoptische evangeliën, die uit de kring van de twaalf discipelen stammen, waarin Petrus, Johannes en Jakobus een belangrijke rol speelden.(4)

Tot slot: Het verhaal over Lazarus laat zich lezen als een geloofspsychologisch “leernovelle”. De geheimzinnige, niet bij naam genoemde discipel uit de eerste helft van dit evangelie, die Jezus nogal halfslachtig lijkt te hebben gevolgd, krijgt in het centrum van het boek een naam. Hij wordt opgewekt uit zijn dodelijke impasse van aarzelingen en twijfels over Jezus’ messiaanse missie. Daarna is hij de getuige bij uitstek van Jezus’ leven (de maaltijd), dood (het kruis) en opstanding (het lege graf). Elke messias moet immers ooit sterven, maar leeft voort in zijn leerlingen als zij zijn naam in ere houden. Is dat het geheim van Lazarus?

Noten
(1) In mijn boek Het evangelie uit het leerhuis van Lazarus (Ten Have, Baarn 1996) heb ik hier uitvoerig aandacht aan besteed (p. 83v.).
(2) De standaardvertaling met “Jood” is in dit verhaal nietszeggend, omdat alle betrokken personen Joden zijn en het om een typisch Joodse problematiek gaat. De vertaling “Judeeër” daarentegen spitst die problematiek toe op verschillen van inzicht en praktijk tussen de diverse Joodse groeperingen in die tijd.
(3) In genoemd boek heb ik die besproken (p. 95v.). Deze kwestie laat ik hier verder rusten.
(4) Voor een uitgebreide onderbouwing van deze bevindingen kan men bovengenoemd boek raadplegen.

Toelichting

Hieronder toelichtingen op de zondagslezingen voor de komende 4 weken.