Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 12: 49-56 - Peter Tomson

Zondag 14 augustus 2016 
Zondag 11 augustus 2019

Niet gekomen om vrede te brengen

door Peter Tomson

Sinds de 2e zondag van de zomer bevinden we ons volgens het leesrooster in het ‘Lucaanse reisverhaal’ (9:51-18:14) dat, als je Lucas naast Marcus legt, in zijn geheel lijkt te zijn ingevoegd in de verhaalvolgorde van laatstgenoemd evangelie. Lucas put hier uit voor ons onbekende evangeliën, misschien ook uit ‘Q’ (en dat is, schrijft Henry Cadbury in zijn classic uit 1927, The Making of Luke-Acts, een pure hypothese, waar we niet verder op kunnen bouwen). Zeldzame, raadselachtige spreuken horen we hier, ik vertaal wat letterlijker dan de NBV: ‘Vuur ben ik komen werpen op aarde ‒ en wat heb ik te willen als het reeds ontbrand is? Een doop heb ik om mee gedoopt te worden ‒ en hoe kan ik het volhouden tot het volbracht is?’ (Luc. 12:49-50).

We lijken hier te maken te hebben met de Rätselsprüche, die volgens Joachim Jeremias (Neutestamentliche Theologie 1, 1971/1988, p. 40, 269) het onderricht van Jezus kenmerkten. Het betreft profetische of apocalyptische spreuken die onder meer zijn messiaanse rol en lot verhuld aanduiden en die van oorsprong misschien in kernachtig, ritmisch-rijmend Aramees geformuleerd waren (zie Jeremias, § 2). Vgl. ook Luc. 13:32-33, raadselspreuken waarmee Jezus de Farizeeën antwoordt die zijn leven willen redden (al even zeldzaam), en waarin hij uitdrukt dat een profeet in Jeruzalem moet omkomen. Het beeld van de ‘doop’ komt ook in Mar. 10:38 voor, naast dat van de ‘beker’ die Jezus moet drinken. Het laatstgenoemde kennen we natuurlijk ook uit het Gethsémané-verhaal (Mar. 14:36). Dit alles wijst erop dat we te maken hebben met spreukenmateriaal dat breed en diep in de oorspronkelijke Jezus-traditie verworteld is (en zich niet beperkt tot ‘Q’ ‒ die Marcus volgens de theorie immers niet gekend zou hebben).

Het zijn losjes aaneengeregen spreuken, waartussen wel of geen verband gehoord kan worden. Dit is typisch voor joodse spreukenverzamelingen, en wordt bv. ook in de brief van Jakobus aangetroffen. Intussen stellen deze spreuken ons voor de raadselachtige en complexe figuur die Jezus geweest moet zijn in zijn tijd: een man die zich uitdrukt in raadselspreuken, maar ook in meeslepende gelijkenissen (Luc. 15!), die onvermoeibaar geneest en demonen uitdrijft, ongewoon attent is op vrouwen en kinderen, scherpzinnig en slagvaardig als schriftuitlegger, en politiek even scherp-bewust als discreet (Luc. 13:32!).

Politiek bewust zijn ook de volgende spreuken, beginnend met de raadselachtige vraag en antwoord: ‘Denken jullie dat ik vrede ben komen brengen op aarde? Neen, eerder verdeeldheid!’ (Luc. 12:51). In iets andere vorm (‘niet vrede maar het zwaard’) komt deze spreuk, met de erop volgende aanhaling van Micha 7:6, ook voor in Mat. 10:34-36, daar met het vervolg uit Micha: ‘Iemands vijanden zijn zijn huisgenoten.’
Vooral met deze laatste zin erbij evoceren deze profetische woorden een van de meest traumatiserende ervaringen van oorlogssituaties, die universeel is en die ons in Europa voorzover we het vergeten waren begin jaren 90 weer in herinnering gebracht werd in het voormalige Joegoslavië: nl. dat de scheidslijn tussen leven en dood, tussen vertrouwen en verraad, dwars door een familie loopt. De tekst uit Micha wordt ook aangehaald in de ‘rabbijnse apocalypse’ (o.a. Misjna Sota 9:15), daar in een context die herinnert aan de oorlogen tegen Rome en hun tragische afloop.

De spreuken in Luc. 12:54-59 komen in totaal andere bewoordingen ook voor in Mat. 16:2-3, aldus nogmaals de vertaktheid van de Jezustraditie illustrerend. Opnieuw gaat het politiek bewust over de voortekenen van oorlog en catastrofe.