Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 08: 26-39 - Hans Schravesande

Zondag 19 juni 2016
Zondag 23 juni 2019 


door Hans Schravesande

Na het stillen van de wind en de golven op het meer door Jezus, komt hij met zijn discipelen aan de overkant van het meer. Het is een grensoverschrijding naar een gebied buiten Israël, waar wel Joden woonden, maar dat waarschijnlijk vooral heidens was. Er zijn kudden varkens, onreine dieren, die in Israël niet als vee gehouden mochten worden.

Evenals in de voorgaande episode komt ook hier het motief naar voren van de oervloed van voor de schepping, de chaosmacht die blijvend de goede schepping bedreigt. Die chaos vertoont zich in een mens die door demonen bezeten wordt. Die chaos verplaatst zich naar de varkens, onreine dieren, die bijzonder vatbaar lijken voor deze chaosmacht. Het eindigt in de terugkeer in de oervloed: chaos tot chaos.

De bezeten man woonde in rotsgraven. Als door de dood omgeven, mocht hij geen naam hebben. Toch vraagt Jezus hem naar zijn naam. Hij moet zich identificeren voordat Jezus vat op hem kan krijgen. Zijn identiteit is dat hij geen identiteit heeft: hij heet ‘Legioen’, een eindeloze reeks van identiteiten, die Jezus vanuit die veelheid tot een heel makende eenheid wil brengen. De naam ‘Legioen’ zal voor de lezers van Lukas ook direct associaties opgeroepen hebben met de legioenen van de Romeinse bezetting. De demonen die de man bezetten zouden wel eens uitdrukking kunnen zijn van de bezettende Romeinse macht. De machteloosheid vanwege de onderdrukking heeft de man geïnternaliseerd. Zijn bevrijding wordt zo ook symbool voor politieke bevrijding. Dat beeld wordt versterkt door het verband tussen de Romeinen en de varkens. Het bezettende legioen had een varken als mascotte. De Romeinen zag men ook omschreven in Psalm 80, 14: ’Wilde zwijnen wroeten hem (Israël als wijnstok) om’. Vanuit het motief van het in zee storten komen herinneringen boven aan de Farao met zijn paarden en wagens die verzwolgen werden in de zee. Ook in het boek Openbaring (18,21) wordt Babylon (Rome) in de zee gesmeten. Zo wordt het land gezuiverd van onreinheid. Lapide wil bij dit verhaal zelfs van een politieke satire spreken. Hij ziet ook bekende teksten als ‘gooi je parels niet voor de zwijnen’(Matth. 7,6) en de ‘verloren zoon’ die varkenshoeder werd, als verwijzingen naar collaboratie met de Romeinen.

Lapide wijst ook op het belang van het terug vertalen in het Hebreeuws en Aramees. Zo kan de vraag beantwoord worden waarom we bij Markus lezen over ongeveer tweeduizend varkens. Dat is wel een heel erg grote kudde. Lukas reduceert die, niet uit een protest tegen een onwaarschijnlijk grote vorm van veeteelt, maar omdat hij de oorspronkelijke lezing heeft. Het Hebreeuwse woord ‘duizend’ (èlèf) kan ook ‘groep’ betekenen. Terugvertaald kan het Ba’alafim (in groepen) verkeerd als Ka’alpaim (ongeveer tweeduizend) gelezen zijn. Lapide citeert hierbij uit de ‘Tischreden’ van de ‘anti-judaïstische’ Luther: ‘Wanneer ik jonger zou zijn, zou ik de Hebreeuwse taal willen leren, want zonder die taal kan men de Schrift nooit meer goed verstaan. Want het Nieuwe Testament, hoewel in het Grieks geschreven, is toch vol van hebraïsmen en een Hebreeuwse manier van zeggen’.

Dit verhaal in Lukas is het enige waarin Jezus duidelijk de grens overgaat. Verder beperkt hij zich tot het zoeken van de ‘verloren schapen van het huis van Israël’. Hij lijkt ook zonder veel moeite toe te geven aan de wens van de bewoners om te vertrekken. Zijn prioriteit ligt, voordat het Koninkrijk doorgebroken is, en ook de volken naar Jeruzalem zullen optrekken, nog bij Israël. We weten niet zeker of de bezeten man al dan niet een Jood was. Zijn uitroep ‘Jezus, zoon van de allerhoogste God’ zou eerder door een heiden gedaan kunnen zijn. Dat is zelfs waarschijnlijk. Op de enige andere plaats waar deze uitdrukking voorkomt is het in een multireligieuze context. In de Romeinse kolonie Filippi (Hand. 16,12) roept een jonge slavin, een door een geest bezeten vrouw, ook deze woorden. In Hebreeën 7.1 wordt de niet- joodse Melchisedek ‘príester van de allerhoogste God’ genoemd.
Is het daarom dat Jezus niet in gaat op het dringende verzoek van de man om bij Jezus te mogen blijven? Jezus vraagt hem terug te gaan naar huis en alles te vertellen wat God gedaan heeft. Maar we lezen vervolgens dat hij vertelt wat Jezus gedaan heeft. De woorden evangelie en Koninkrijk vallen niet. Er wordt bericht over het gebeurde (apangello, vs.36), verteld en bekend gemaakt (vs.39). Niet elk bericht is al een goed bericht, evangelie. Het klinkt eerder als een voorbereiding op het horen van het evangelie, dat er ook voor de heidenen zal zijn.