Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 12: 13-21

Zondag 4 augustus 2019

De rijke dwaas

Door Peter van ’t Riet

13 Iemand uit de menigte zei tot hem: Leraar, zeg tot mijn broer dat hij de erfenis met mij deelt.

In dit vers wordt Jezus geconfronteerd met iemand die een geschil heeft met zijn broer over de erfenis. De casus wordt echter wel erg summier beschreven. Over de achtergronden van het conflict worden we niet geïnformeerd. Heeft de broer zich de hele erfenis ten onrechte toegeëigend? Hebben de ouders hun andere zoon bevoordeeld?

Voorschriften in de Tora over de verdeling van de erfenis betreffen alleen het vererven van land. Een van de weinige vinden we in Deuteronomium 21:15-16, waar het een geval betreft van een man die bij elk van zijn twee vrouwen een zoon heeft en zich bij het verdelen van de erfenis niet mag laten leiden door zijn gevoelens voor de vrouwen. Het is een situatie die in Jezus’ tijd weinig meer voorkwam, omdat monogamie in de praktijk steeds meer de norm werd. Wel kunnen we eruit afleiden dat het verdelen van een erfenis rechtvaardig, dat wil zeggen naar objectieve en niet naar subjectieve maatstaven moest gebeuren. In het latere Jodendom worden ook beschikkingen getroffen voor het vererven van andere vormen van eigendom dan land, en wordt bovendien de erflaters een grotere vrijheid toegekend in het verdelen van de erfenis.(1)

Uit de summier beschreven casus kunnen we nu opmaken dat het Lukas in dit verhaal niet te doen is geweest om de juridische zaak zelf. Veel eerder wijst de manier waarop de “man uit de menigte” zijn zaak aan de orde stelt, in een andere richting. Hij stelt Jezus namelijk geen vraag en doet hem geen verzoek, maar geeft hem een opdracht: “Zeg (imperatief) tot mijn broer!”

14 Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft mij tot rechter of scheidsman over jullie aangesteld?

Naar joods recht kozen bij civiele geschillen de procederende partijen in overleg met elkaar zelf hun rechters uit.(2) Daar is in dit geval geen sprake van, omdat alleen de “man uit de menigte” Jezus benadert buiten zijn broer om. Jezus kan daarom op de juridische zaak zelf niet ingaan. Uit het volgende vers blijkt dat het Lukas om iets anders te doen is geweest.

15 Hij zei tot hen: Ziet toe, dat jullie je verre houdt van alle begerigheid, want ook in overvloed is niemands leven zijn bezit.

De gebiedende wijs waarmee de “man uit de menigte” tot Jezus heeft gesproken, is kennelijk een aanwijzing dat de man niet uit is op rechtvaardigheid op basis van Tora, maar dat hij vooral handelt uit begerigheid om eigen voordeel te verkrijgen. Jezus’ toevoeging: “Ook in overvloed is je leven niet je bezit,” houdt een impliciet a fortiori argument in: Als je leven (dat het meerdere is,) al niet je eigendom is, hoe verhoud je je dan tot je goederen (die het mindere zijn)? Hieruit mag niet worden afgeleid dat Jezus en/of Lukas het bezitten van goederen onbelangrijk of zelfs verwerpelijk zouden vinden. De kwestie is hoe men bezittingen verwerft en wat men er daarna mee doet. Daarover gaat de volgende gelijkenis.

16 En hij [Jezus] sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk man had veel opgebracht.

Geen evangelist besteedt zoveel aandacht aan kwesties van rijk en arm als Lukas. Merk op dat deze gelijkenis typisch Lukaans is en niet wordt aangetroffen bij de andere evangelisten. Kritische geluiden over rijkdom zijn weliswaar typerend voor Lukas, maar worden ook elders in de joodse traditie gehoord. In de Wijsheid van Jezus Sirach (2e eeuw vCJ) lezen we bijvoorbeeld: “Verlaat je niet op je rijkdommen en zeg niet: Ik ben van niemand afhankelijk. Volg niet je eigen zin en kracht om te wandelen naar de begeerten van je hart …” (Jezus Sirach 5:1). Maar Lukas heeft wel een zwak voor deze problematiek gehad.(3)

De term “een rijk man” staat bij Lukas steeds aan het begin van een gelijkenis die kritisch is over rijkdom die niet wordt gebruikt voor de armen (zie ook: Lukas 16:1 en 19). Ook nu weer geldt dat Jezus niet per se tegen rijkdom was. Hij had immers rijke vrienden die hem hun bovenzaal ter beschikking konden stellen voor zijn paasmaaltijd (Lukas 22:11; verg. Markus 14:14; Matteüs 27:57), en die zijn begrafenis in een duur graf konden bekostigen (Lukas 23:50; verg. Markus 15:43; Matteüs 26:18). In de farizees-rabbijnse traditie zijn rijken nodig om de armen te ondersteunen. Zij mogen zelfs maar een beperkt deel van hun vermogen wegschenken om te voorkomen, dat zij zelf verarmen en afhankelijk worden van armenzorg door anderen.(4) Rijkdom hoeft dus geen belemmering te zijn om vanuit de Tora te leven.

17 En hij redeneerde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen, want ik heb niet [voldoende] plek om mijn vruchten op te slaan. 18 En hij zei: Dit zal ik doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen en ik zal daarin al het graan en al mijn goederen opslaan.

Ook nu nog gedraagt de rijke man zich niet in strijd met de Tora en de joodse traditie. Integendeel, hij treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zijn oogst niet verloren zal gaan. Ook Jozef liet immers als onderkoning van Egypte de overvloedige oogsten uit de zeven vette jaren opslaan in schuren om ze voor de magere jaren te bewaren (Genesis 41:56).

19 En ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, jij hebt veel goederen opgetast liggen voor vele jaren, houd rust, eet, drink en wees vrolijk.

In de Tora geldt dat de Israëliet het land pacht van de Eeuwige, die er de eigenaar van is. Daarom moet een tiende gedeelte van de oogst worden afgedragen aan priesters en Levieten, Gods personeel op aarde (Numeri 18:26), en een ander tiende gedeelte moet in het heiligdom “bij God aan tafel” worden geconsumeerd (Deuteronomium 12:17-19; 14:22-27), of aan de armen worden geschonken (Deuteronomium 14:28-29). Het is de erkenning van Gods eigenaarschap over het land. Daarnaast moeten de armen ook met andere middelen ondersteund worden.(4)

In dit vers openbaart zich nu de levenshouding van de rijke man, die zijn overvloedige oogst niet ziet als een door God geschonken middel om bij te dragen aan een rechtvaardige maatschappij, maar uitsluitend als zijn eigen bezit om er zelf een plezierig leventje van te leiden. De uitdrukking “houd rust, eet, drink en wees vrolijk,” roept associaties op met de levenshouding van de Epicuristen, die het vermijden van pijn en het nastreven van lichamelijk genot als hoogste levensdoel zagen. We moeten de man dan ook zoeken in kringen van de Sadduceeën, die door Flavius Josefus met de Epicuristen vergeleken worden.(5) De Sadduceeën vormden de aristocratische bovenlaag van Judea, speciaal van Jeruzalem, die bestond uit hogepriesterlijke families, grootgrondbezitters en rijke handelaren. Ook de rijke man uit de gelijkenis van de “rijke man en de arme Lazarus” (Lukas 16:19-31) moet in die kringen gezocht worden.(6) De Sadduceeën waren meer bezig met de genietingen van een rijk leven, dan met het inzetten van hun rijkdommen om het armere deel van het joodse volk te ondersteunen. Verderop in Lukas 12 (vers 33-34) zal Jezus aan zijn leerlingen het tegengestelde advies geven: “Verkoopt jullie bezittingen en geeft aalmoezen, maak voor jezelf […] een schat in de hemel […], want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn.”(7) Het is de levenshouding die aardse bezittingen inzet om (hemelse) Tora-gerechtigheid op aarde na te streven, en die een mens meer levensvervulling schenkt dan “eten en drinken en vrolijk zijn”.

20 Maar God zei tot hem: Dwaas! Deze nacht eisen zij jouw ziel op. Wat je had klaar gemaakt, voor wie zal het zijn?

Het woord ‘dwaas’ in deze gelijkenis roept associaties op met Jeremia 17:11 : “Een veldhoen, dat eieren uitbroedt, die het niet gelegd heeft, zó is wie zich rijkdom verwerft, maar op onrechtmatige wijze. Op de helft van zijn dagen zal hij die moeten achterlaten, en bij zijn einde zal hij een dwaas zijn.”

De derde persoon meervoud in “zij eisen jouw ziel op,” verwijst in dit verband naar ’s mans bezittingen: wie zijn hart verpandt aan zijn bezit, zal niet altijd een vroege lichamelijke dood sterven, maar er wel geestelijk door verstikt worden.

21 Zó gaat het met hem die schatten verzamelt voor zichzelf en niet rijk is in God.

Geheel origineel is deze gelijkenis van Jezus bij Lukas niet. Zij is de uitwerking van een wijsheidsgedachte van Jezus Sirach (11:18-19): “Sommigen worden rijk door berekening en hebzucht en dit is het loon, dat hun ten deel valt, dat ze zeggen: ‘Ik heb rust gevonden en nu ga ik van mijn bezittingen genieten’, maar ze weten niet hoelang dat zal duren, en ze moeten alles aan anderen achterlaten en sterven.” Dit laat zien dat Jezus – zoals ook elders in het Lukasevangelie – nauw heeft aangesloten bij de joodse traditie van zowel toen als nu, die geen bezwaar heeft tegen bezit, mits eerlijk verkregen en rechtvaardig gebruikt.

Noten

1. Levine, A.J., Brettler, M.Zv., The Jewish Annotated New Testament, Oxford University Press, 2011, ter plaatse.
2. Zie: M. Sanhedrin 3:1. Er is geen reden om aan te nemen dat het in de tijd van Jezus op een andere manier ging.
3. Lindijer, C.H., De armen en rijken bij Lucas, ‘s-Gravenhage, 1981.
4. Riet, P. van ‘t, Het mensbeeld van de Tora, Folianti, Zwolle, 2014, hoofdstuk 4, par. ‘Het ondersteunen van de armen’.
5. In tegenstelling tot de Farizeeën, die door Josefus vergeleken worden met de Stoïci, en tot de Essenen, die hij vergelijkt met de Pythagoreeërs, legt hij nergens een expliciet verband tussen Sadduceeën en Epicuristen, maar wel schrijft hij beide groepen hetzelfde soort opvattingen toe (Bergmeier, R., Die Essener-Berichte des Flavius Josephus, Kampen, 1993, p. 57).
6. Zie Riet, P. van ‘t, De rijke man en de arme Lazarus, Folianti-reeks 36, Zwolle, 2015.
7. Merk op dat er niet staat: “al jullie bezittingen”. Ook nu blijft Jezus binnen het farizees-rabbijnse standpunt, dat liefdadigheid niet moet leiden tot verarming van de gever (zie noot 4).