Joods-Christelijke Dialoog

Lucas 09: 51-62

Zondag 26 juni 2016 
Zondag 30 juni 2019

Jezus als profeet naar Jeruzalem


door Peter Tomson

Voor wie gevoelig is voor de getijden en seizoenen van het liturgisch jaar, is deze evangelielezing in de zomer vreemd: het is veelmeer een lezing voor de veertigdagentijd voor Pasen. Het gedeelte is duidelijk door Lucas gestileerd, in zwaarklinkend Grieks dat aanleunt tegen de Septuaginta. Letterlijk vertaald luidt 9:51: ‘Het geschiedde toen de dagen van zijn opneming werden vervuld, dat hij zijn aangezicht fixeerde om naar Jeruzalem te gaan, en hij zond boden voor zijn aangezicht uit.’ De uitdrukking ‘het aangezicht fixeren’ komt tienmaal voor in Ezechiël (6:2 enz.) als inleiding tot een opdracht om te profeteren en wordt waarschijnlijk door Lucas ontleend om aan te geven dat Jezus als een profeet naar Jeruzalem opgaat (vgl. Lucas 13:33; 7:16, 39). Hij gaat ook als pelgrim op: dat blijkt uit de onwil van de Samaritanen om hem te gastvrijheid te verlenen, omdat, letterlijk vertaald, ‘zijn aangezicht naar Jeruzalem ging’. Pelgrims op weg naar de tempel in Jeruzalem zijn niet welkom bij hen, hun tempel was op de Gerizim (Johannes 4:21). ‘Boden voor zijn aangezicht’ klinkt niet alleen bijbels, maar betreft ook een joods gebruik genoemd in de Misjna: ze moesten onderdak prepareren voor hun meester. De reactie van Jakobus (de kleine) en zijn broer Johannes op deze belediging van een joodse profeet is eveneens bijbels: hemels vuur is het legendarische wapen waarmee Elia strijdt, maar Jezus kiest de partij van de engel die Elia opdraagt om daarmee op te houden (2 Koningen 1:9-15). Lucas put hier uit een traditie die op een andere manier in Marcus is bewaard. Jezus geeft daar aan ‘Jakobus de zoon van Zebedeüs en zijn broer Johannes’ de bijnaam ‘donderzonen’ (Marcus 3:17).