Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 29 januari 2017
Zondag 2 februari 2020


Zaligsprekingen

Door Reinier Gosker

Vooraf

Mattheus heeft drie hoofdstukken nodig om de kern van Jezus' boodschap duidelijk te maken: diens Bergrede, State of the Union, Troonrede, Maidenspeech (Mattheus 5-7). Deze Bergrede begint met de zaligsprekingen, die – net als het verhaal over de Bruiloft te Kana aan het begin van het Johannesevangelie1 – duidelijk maken waar Jezus voor staat, wat zijn 'grootheid' uitmaakt, zijn importantie: 'Te midden van de sores en de misère in deze wereld redt en
bewaart hij de vreugde van het leven'.

Het zachte juk van het Koninkrijk

Binnen het geheel van de Bergrede functioneren de zaligsprekingen als de blijde boodschap 
van het Koninkrijk Gods (5,1-12). Ze zijn op Joodse wijze te duiden2 als het opnemen van het lichte of zachte juk van het Koninkrijk der Hemelen ('ol malchoet sjamajiem'). Daarna volgen de veel zwaardere geboden, aan te duiden als 'ol ha-mitzwot' (het juk der geboden). Dit dubbelconcept, eerst het zachte juk en dan pas het zwaardere, is door Mozes beproefd waar hij Exodus 20,2 laat gelden als het éérste van de Tien Woorden: de bevrijding uit de slavernij, welke wordt aangeduid als het 'ol malchoet sjamajiem'. Dan volgen de overige negen Woorden ('onze' Tien Geboden) in Exodus 20,3-17, aangeduid als het 'ol ha-mitzwot'. [Wie gaat Arjan Visser van het dagblad Trouw dit eens duidelijk maken?] 

Zalig, gelukkig en ... gezegend!

Dat de NBV het repeterende "makarioi" niet langer vertaalt met 'zalig' maar met 'gelukkig', begrijp ik. Mooier vind ik: 'blessed are', 'gezegend zijn de ...' zoals in veel Engelse vertalingen. De uitdrukking komt in LXX 68x voor, doorgaans als vertaling van het Hebreeuwse 'ashrei'. Soortgelijke 'zegeningen'3 (vergelijk ook de beide andere lezingen voor vandaag Sefanja 2,3 en 3,9-13 en 1 Korinthe 1,26-31) als in vers 3 & 4 (armen in de geest & zij die treuren) vind je in Jesaja 61,1-3. Wat betreft vers 5 (zachtmoedigen) moet je zijn bij Psalm 37,11 (LXX 36,11), de Hebreeuwse versie van Psalm 37 gebruikt het woord 'aretz', de LXX het woord 'gè'
(land), waardoor de specifieke samenhang met het land Israël verloren gaat en het een meer universele betekenis krijgt. Voor vers 6 (die hongeren en dorsten) zie Psalm 107,5-6,9 en Psalm 22,27. Voor vers 7 (de barmhartigen) zie Spreuken 14,21b (LXX: makaristos). Voor vers 8 (reinen van hart) zie Psalm 24,3-6 en Psalm 73,1. Kortom, Jezus heeft de zaligsprekingen niet uit zijn duim gezogen.

Talmoedtractaat Zegenspreuken van Jacob de Leeuwe

Voor vers 9 (NBV: 'Gelukkig de vredestichters, want zij zullen kinderen (!) van God genoemd 
worden') is een verwijzing naar de Talmoed extra zinvol omdat Jacob de Leeuwe onlangs het Talmoed Tractaat Zegenspreuken in het Nederlands vertaald4 heeft. Aan het slot van betreffende tractaat (b. Ber. 64a) vinden we een mooie parallel van Mattheus 5,9: 'Rabbi Elazar zei in naam van Rabbi Chanina: de leerlingen van de wijzen (chachaniem) bevorderen de vrede van de wereld, want er is gezegd “en al uw zonen zullen leerlingen van God zijn en de vrede voor jullie zonen zal overvloedig zijn” (Jesaja 54,13). Lees niet banecha (je zonen) maar
bonecha (je bouwers). “Er zij een overvloed aan vrede voor diegenen die van uw Tora houden en voor hen zal er geen obstakel zijn” (Psalm 119,165). “Moge er vrede zijn binnen uw muren en rust in uw paleizen. Ter wille van mijn broeders en vrienden zal ik vrede voor jou (Jeruzalem) aankondigen. Ter wille van het huis van de Eeuwige, onze God zal ik jou (Jeruzalem) goed toewensen” (Psalm 122,7-8)'.

1 Zie het slot van mijn bijdrage over de Bruiloft te Kana (op deze website 15.01.2017)
2 Voor deze alinea verwijs ik naar Marcus van Loopik, Balk en splinter, Joodse achtergronden van de Bergrede,
uitgave Pardes 2011, hoofdstukken 1 & 2, pag. 21 t/m 41.
3 Voor de hier volgende opsomming maakte ik gebruik van: Aaron M. Gale, The Gospel according to Matthew, in :
The Jews Annoted New Testament, pag. 9 v.
4 Jacob de Leeuwe, Het geschenk van Jacob, Babylonische Talmoed, Tractaat Zegenspreuken – Hoofdstuk 8 & 9,
uitgave Skandalon Vught 2012, pag. 334 en 335