Joods-Christelijke Dialoog

Korinthe 2. 13:11-13 - Adri Van der Wal

Zondag 7 juni 2020

door Adri van der Wal

Net als andere brieven van Paulus wordt 2 Korintiërs omraamd door een zegen aan het begin en een zegen aan het einde van de tekst: 2 Korintiërs 1:2 en 13:13. Ook al is het waarschijnlijk dat 2 Korintiërs is samengesteld uit (delen uit) verschillende brieven van de apostel, dat kenmerkende aspect is ook hier te vinden. We zien het ook in Romeinen, 1 Korintiërs, Galaten, Filippenzen, 1 Tessalonicenzen (Romeinen 1:7 en 16:20; 1 Korintiërs 1:3 en 16:23; Galaten 1:3 en 6:18; Filippenzen 1:2 en 4:23; 1 Tessalonicenzen 1:1 en 5:28). Steeds zegt Paulus aan begin en einde van zijn schrijven de betreffende gemeente Gods bijstand toe, Gods zorg voor de gemeente. Hij bemoedigt de betreffende gemeente door haar te verzekeren dat zij mag vertrouwen op hemelse betrokkenheid en nabijheid. Zo versterkt Paulus de gemeente in haar geloven en in haar praktijk van christelijk leven.
Ook in de Bijbel als geheel vinden we de zegen aan het begin en het einde. Nadat God de mensheid geschapen heeft (Genesis 1:26-27), zegent Hij haar (Genesis 1:28a) en geeft haar een opdracht (Genesis 1:28b). Het laatste Bijbelvers, Openbaring 22:21, is een zegen. De mens is ten diepste een gezegend wezen. De mens mag leven van Gods gaven en het daarmee wagen. In de zegen zegt God “ja” tegen het leven.
Na afloop van de zondvloed spreekt de Eeuwige zijn zegen uit over Noach en zijn familie. We horen in Genesis 9:1 de woorden uit Genesis 1:28 terug.
Abram hoort bij zijn roeping in Haran (Genesis 11:31) dat God hem zegent (Genesis 12:2a). Ook dan gaat de zegen vergezeld van een opdracht: hij moet tot zegen zijn: “Wees een zegen” (Genesis 12:2slot). Dat is de middelste zinsnede van de zeven, waaruit de woorden van God in Genesis 12:2-3 bestaan. Steeds weer is een gave in de Bijbel een opgave: de mens is geroepen om uit te delen van het goede wat je zelf hebt ontvangen. In en door Abram mogen alle volken zich door Israëls God gezegend weten.
Namens de Eeuwige zegenen Aäron en zijn zonen het volk Israël met de zegenwoorden uit Numeri 6:24-26. Zij spreken dan Gods naam van nabijheid en betrokkenheid over het volk uit (Numeri 6:27). Als laatste woord van de zegen in Numeri 6 klinkt het woord sjaloom. Doorgaans wordt dat begrip vertaald met “vrede”, maar het duidt breder de heelheid, het welzijn van mens en wereld aan. Daar gaat het dus bij de zegen om: heelmaking en welzijn, zodat mens en wereld toekomst hebben en zich door God gesteund weten.
Niet alleen God zegent mensen, mensen zegenen ook elkaar. Zo zegent Jakob op zijn sterfbed zijn kleinzonen Manasse en Efraïm (Genesis 48). Vader Jozef moet hen bij Jakob brengen “opdat ik hen zal zegenen” (Genesis 48:9). Jezus zegende kinderen die mensen bij Hem brengen (Marcus 10:16).
Het laatste wat Jezus’ leerlingen van Hem zien en horen is zijn zegen (Lucas 24:50-51). Dat gebaar en die woorden zullen bij hen hun verdere leven op hun netvlies zijn blijven staan. Lucas gebruikt hier voor “zegenen” eulogein, “goede woorden spreken”. De zegen is tot heil van de ontvanger.
Door de zegenwoorden aan het begin en het einde van zijn brieven moedigt Paulus de aangeschreven gemeenten aan om ondanks alle externe en interne zorgen en problemen moedig voort te gaan en zich verzekerd te weten van Gods ondersteuning. Paulus typeert God in 2 Korintiërs 13:11.13 als de God van liefde en sjaloom.
Paulus’ goede woorden gaan in 2 Korintiërs 13:11-12 vergezeld van een zestal oproepen: “verheugt u” (zoals in Filippenzen 4:4), “betert uw leven”, “laat u vermanen”, “leeft in dezelfde gezindheid”, “weest vreedzaam”, “groet elkaar met een heilige kus”. Ook hier is de zegen niet vrijblijvend. Ondanks alle vermaan in zijn brieven, ondanks alle oproepen tot verandering blijft Paulus altijd vasthouden aan de verbondenheid van God met de gemeentes. De Bijbelse teksten zijn immers pastoraat.
Tevens laat Paulus de gemeente van Korinthe weten dat zij zich verbonden mag voelen met gelovigen elders: “U groeten al de heiligen” (2 Korintiërs 13:12).