Joods-Christelijke Dialoog

Galaten 03: 23-29

Zondag 19 juni 2016
Zondag 23 juni 2019 


Allen nakomelingen van Abraham


door Peter Tomson

Het leesrooster maakt nu een sprong naar de veelgeciteerde regel waarmee Paulus de samengestelde eenheid van de gemeente samenvat (Galaten 3:27v.). Daarmee zitten we midden in het argumenterende hoofddeel van de brief. Het beslaat hoofdstuk 3 en 4 en heeft het nakomelingschap van Abraham als hoofdthema. Nergens is de dichtheid van bijbelcitaten groter; Paulus’ Farizeese exegesemachinerie draait hier op volle toeren. Het is uiteraard allerminst ‘objektieve’ exegese. Het is polemische argumentatie in dienst van Paulus’ doel: aantonen dat heidenchristenen ‘gerechtvaardigd’ worden uit geloof en de joodse wet niet hoeven te houden. Een kras voorbeeld is het hier overgeslagen gedeelte 4:21-31, waar Paulus de ‘slavernij’ van Hagar toeschrijft aan ‘Jeruzalem’, en Sara’s vrijheid aan de ‘kinderen van Izaak’ ‒ de volgelingen van Jezus (vgl. Galaten 3:16). Het lijkt sterk op de radicale omkering van een argument van Paulus’ tegenstanders (‘wij die de wet doen zijn kinderen van de vrije Sara...!’).

Iets dergelijks geldt van het betoog waar onze pericoop een deel van is: de wet is slechts een inferieur middel ter intoming van de zonde (Galaten 3:19-4:7). De wet is een ‘pedagoog’ (3:24), waarmee in Paulus’ tijd een huisleraar voor kleine kinderen werd bedoeld, die geacht werd lijfstraffen te gebruiken om zijn onderwijs kracht bij te zetten. Dit alles is geschreven met het oog op de positie van een heidenchristen in Galatië die zojuist te horen heeft gekregen dat alleen het houden van de joodse wet hem tot de ware vorm van christendom zal brengen.
Het ‘inferieure’ regime van de wet betrof natuurlijk in principe alleen de joden, maar bij uitbreiding ook de heidenen die zich hadden laten overtuigen dat ze onder de wet beter af waren. Door hun geloof ‘in Christus’ zijn zij nu echter kinderen van God, bevrijd en verenigd in één lichaam, hoe verschillend als ze in de maatschappij qua rechtpositie ook zijn: joden en Grieken, slaven en vrije mensen, mannen en vrouwen (3:28). Het mystieke ‘zijn in Christus’ ‒ in het aanbiddend samenzijn van de gemeente ‒ heeft een bovenpersoonlijke, sociaal transformerende strekking (vgl. 2:19v.).

Christelijke exegeten dachten vaak dat Paulus hiermee de wet principieel afschreef als inferieur. Dat is echter niet de spits van zijn betoog. Elders kan hij met overtuiging zeggen: ‘De wet is heilig, en de geboden zijn heilig, rechtvaardig en goed’ (Romeinen 7:12). Romeinen is veel ‘evenwichtiger’ van toon, wat eens temeer duidelijk maakt hoe polemisch gekleurd Galaten is. Maar ook hier blijven de geboden van de wet gelden: ‘Iedereen die zich laat besnijden is verplicht om de wet volledig na te leven’ (Galaten 5:3). Waar Paulus zich tegen verzet, in lijn met het vroegere apostelakkoord, is het opleggen van de wet aan heidenchristenen.