Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 8 november 2020 

door Adri van der Wal


Blijkens 1 Tessalonicenzen 4:17 (“wij, die nog in leven zijn”) heeft Paulus de overtuiging gehad dat de wederkomst van Christus niet lang op zich zou laten wachten. Hij prijst de gemeenteleden in Tessalonica die ook reikhalzend uitzien naar Christus’ komst (1 Tess. 1:3).

Nu sterven er gemeenteleden, voordat de Heer is verschenen. Dat leidt in de gemeente tot vragen. Hoe zal het zijn met deze doden die toch ook Jezus’ komst verwacht hebben? Men legt dit aan Paulus voor. In deze passage geeft hij op een pastorale wijze antwoord. Het maakt duidelijk hoe Paulus zijn brieven schreef: onder meer als reactie op vragen die aan hem werden gesteld. Paulus’ antwoord is dat deze gestorvenen -hij noemt hen ‘ingeslapenen’- zullen opstaan als de Heer komt en dat zij, net als zij die dan nog leven, bij Hem mogen zijn. De tekst is als een ellips met twee brandpunten: opstanding en bij de Heer zijn. God laat niemand los. De dood kan de relatie tussen God/Christus en de gelovige niet verbreken.

Vele motieven vlecht de apostel in deze korte passage dooreen.

In vers 14 en 16 maakt Paulus duidelijk dat God aan de overleden gelovigen hetzelfde zal doen als Hij aan Jezus heeft gedaan: Hij brengt hen door de dood naar de opstanding. De apostel tekent Jezus als de Levende, die van God nieuwe toekomst ontving. In korte bewoordingen herhaalt hij het centrale geloofsgoed van Jezus’ dood en opstanding. Bijzonder is dat Paulus hier Jezus’ eigennaam gebruikt, terwijl hij elders in dit verband de titel Christus gebruikt. De ingeslapenen in Tessalonica wacht ook opstanding. Zij mogen vanwege Jezus daarin delen. Hun opstanding leidt naar een ontmoeting tussen God en mensen.

In 1 Korintiërs 15:20 noemt Paulus Jezus “de Eersteling van hen die ingeslapen zijn” in combinatie met ‘opwekken’. Daar gebruikt Paulus hetzelfde woord voor ‘sterven’ als in 1 Tess. 4:13: ‘inslapen’. Deze gang van dood naar leven, van inslapen naar opstaan legt een verband met de woorden van Daniël 12:2, waar gesproken wordt over ‘mensen die slapen in het stof der aarde’ die zullen ontwaken (zo de Hebreeuwse tekst), die zullen opstaan (in de versie van de Griekse vertaling, de Septuaginta, met precies hetzelfde woord als Paulus gebruikt in 1 Tess. 4:16). Duidelijk is dat in Dan. 12 wordt gesteld dat de dood niet het einde is, maar dat er toekomst is na / achter de dood. Bij die overtuiging haakt Paulus hier aan. Rouwen wordt de gemeenteleden niet ontzegd, maar ze krijgen een verder perspectief aangereikt. Paulus verkondigt zijn overtuiging over de opstanding der doden vaker. Lucas laat ons dat zien in Handelingen 23:6 en 24:21.

Het opstaan van de ingeslapenen gebeurt bij het komen van de Heer. Hij zal komen. De verwachting van 1 Tess. 1:3 wordt vervuld. Dan komt Hij mensen tegemoet, nederdalend uit de hemel, onder het geklank van een sjofar. Waarop mensen Hem tegemoet zullen gaan. Zij die opstonden gaan voorop, de nog levenden volgen, op weg naar een nieuwe werkelijkheid. Jezus’ wederkomst gaat dus niet aan de ingeslapenen voorbij. Op wolken worden allen weggevoerd. Dat legt een associatie met Jezus’ hemelvaart, zoals Lucas die verhaalt in Handelingen 1. Apocalyptische beelden vertellen hoe God mensen binnenhaalt.

Voor het andere centrale thema, bij de Heer zijn, kan een basis gevonden worden in de slotwoorden van Psalm 140:14, “de rechtvaardigen zullen voor uw aangezicht wonen.” Dit Bijbelse lied eindigt met de overtuiging dat de rechtvaardigen mogen wonen in Gods nabijheid. In Psalm 140 klagen mensen intens over anderen die hen het leven bitter maken. Zij nemen het heft niet in eigen hand, maar aan het eind van het lied leggen zij hun lot bij God neer die recht doet aan mensen. Zij leven in de stellige overtuiging van de onbreekbare band tussen God en mensen die zijn weg gaan. Zeven keer klinkt in Psalm 140 de Godsnaam JHWH. Hij wiens naam is dat Hij met mensen wil zijn, laat mensen bij zich wonen. God laat mensen niet los. Evenmin als de dichter(s) van Psalm 140 vult Paulus in 1 Tess. 4 dat ‘bij de Heer zijn’ in detail in.

In 1 Tess. 1:3 en 2:19 klonk al het woordje ‘hoop’. In 1 Tess. 4:13 klinkt dat opnieuw. Het komt nog een keer voor in 1 Tess. 5:8. In 4:13 heeft de hoop betrekking op (de toekomstige) opstanding. Hoop is voor Paulus een wezenskenmerk van de gemeente. In Romeinen 15:13 stelt de apostel de hoop centraal. Het thema van de hoop is eveneens een lijn vanuit het Oude Testament, waar het thema van de gelovige hoop onder meer voorkomt in Psalm 42-43, in Klaagliederen 3:18vv, in Jeremia 29:11 en 31:17.


1 oktober 2020