Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 20 december 2020

Paulus zegt Kaddiesj

door Adri van der Wal

“De grootheid (van God) te verkondigen is de inhoud van het Kaddiesj-gebed.” zo kan men op www.NIK.nl sv Kaddiesj lezen. Kaddiesj wordt gezegd door rouwenden, maar ook ter afsluiting van gebeden en als afsluiting van het leren van een deel van Misjna of Talmoed. “Het geeft aan dat het leren niet alleen is geweest om kennis te vergaren, maar ook om daarmee G’ds grootheid te (be)vestigen.”
De brief van Paulus aan de gemeente van Rome, waarschijnlijk de laatste die hij heeft geschreven, bestaat uit drie delen: Romeinen 1-8, 9-11 en 12-16. Aan het eind van elk briefdeel schrijft de apostel een hymnisch gedeelte, waarin hij Gods liefde en grootheid bezingt. Dan gaat het om Romeinen 8:31-39, 11:33-36 en 16:25-27. Paulus staat vooral bekend om zijn betogen, maar evenzeer is hij een man van het lied, een zanger over Gods grootheid. Op meer plaatsen in zijn brieven zijn hymnische gedeelten aanwijsbaar, zoals in Filippenzen 2:5-11, het “Lied van de Mensenzoon”, en in Filippenzen 4:7.
Paulus schrijft de Romeinenbrief aan een gemeente in benarde omstandigheden. Haar praktische situatie blijkt op verschillende plaatsen in de brief, nog het meest via het citaat uit Psalm 44:23 in Romeinen 8:36. Paulus wil de gemeente een hart onder de riem steken, bemoedigen, een ander zicht op haar werkelijkheid bieden. Geloven leert met andere, nieuwe ogen kijken. De Romeinenbrief heeft dus een pastorale inslag. Met het zicht op de praktische situatie van de gemeente benadrukt Paulus in de brief Jezus’ opstanding, accentueert die in onder meer Romeinen 8:34 –“wat meer is, de Opgewekte”- en Romeinen 10:9. Gods macht blijkt groter dan het lijden dat mensen elkaar aan kunnen doen. Niets kan mensen van deze God en zijn liefde losmaken (Romeinen 8:39). Dat zingt de apostel nadat hij zeventien krachten en machten heeft benoemd (zeven in Romeinen 8:35 en tien in Romeinen 8:38-39a) die mensen van Gods liefde zouden kunnen losmaken. Geen van deze ‘breekijzers’ is daartoe echter in staat. Het getal zeventien is bijzonder: het is een van de getallen voor de Godsnaam JHWH (17 dan wel 26).
Deze God kan mensen versterken (Romeinen 16:25). Voor die gedachte heeft Paulus een sterke basis (Romeinen 16:25b-26). Het is dus niet een eigen bedenksel van de apostel, maar evangelie, blijde boodschap, van God (Romeinen 15:16).
De lofverheffingen in Romeinen 11:36 en 16:27 lijken sterk op elkaar. Paulus bezingt er dat God de heerlijkheid (NBG-1951 / WillibrordVertaling-1995), de eer (NBV-2004) toekomt in alle eeuwigheid. Deze doxologieën doen sterk denken aan een aantal lofverheffingen uit het boek van de Psalmen, die daar klinken aan het eind van boeken uit dit vijfdelige boek: in Psalm 41:14, 72:18-19; 89:53, 106:48. Tegen het donker in zingen mensen over Gods macht en koningschap.
Ten opzichte van Romeinen 11:33 wordt de doxologie van Romeinen 16:25 uitgebreid met een typering van God als “de enige, wijze God”. De tweede uitbreiding is dat Hem de heerlijkheid, de eer toekomt door Jezus Messias.