Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 2 april 2017
Zondag 5 juli 2020


Door Coen Constandse

Het is lastig om deze vier afzonderlijke verzen op zich te nemen. Ik plaats ze daarom in het geheel en maak een aantal opmerkingen over Romeinen 8 (en de voorafgaande en volgende hoofdstukken) die m.i. relevant zijn voor 8: 8-11.

Vlees-Geest

In Romeinen 8:1-18 draait het om de tegenstelling vlees-Geest, en die zijn ook centraal in ook in 8:8-11. (‘Vlees’ is ook al kernwoord in hoofdstuk 7.) Vlees en Geest staan voor twee manieren van zijn, van leven en handelen; het gaat om een gezindheid, een levensinstelling. Het gaat erom niet enkel ‘vleselijk’ of ‘in het vlees’ te leven.
Aan dat begrip ‘vlees’ zitten veel kanten. Het wordt in de NBV telkens anders vertaald, met winst (verschillende nuances en aspecten van de betekenis worden expliciet gemaakt) maar ook verlies (de scherpe tegenstelling verdwijnt, en vertalingen met ‘onze eigen wil/natuur’ maken het op een of andere manier persoonlijker dan het in het Grieks is). Het gaat om het bestaan afgesloten van God en zijn Geest. Het gaat dus ook om een bestaan dat uitloopt op de dood, en dat door de dood eigenlijk voortdurend al getekend is. Het heeft geen weet van opstanding.
Het is een dualisme, maar niet extreem en consequent in die zin dat het lichaam minderwaardig is en achtergelaten wordt. Juist dat sterfelijke lichaam wordt levend gemaakt in de opstanding. In het vlees moet het gebeuren, het moet levend gemaakt worden en gericht worden door de Geest. En die Geest blijkt van alles te maken te hebben met de ‘wet’, de Tora.

Exodus en Tora
Romeinen 8, ook vss. 8-11, barst van de taal en de voorstellingen uit de Tenach.
Opmerkelijk is de Exodus-taal die op een aantal punten in Paulus’ tekst opduikt, in Romeinen 7 (vs. 25, over dienen, slaaf zijn) en Romeinen 8:14vv. Dat is ook relevant voor vss. 8-11. In de christelijke traditie is de bevrijdende uittocht uit Exodus veel duidelijker verwerkt dan de verbondssluiting en de Tora. Paulus legt in Romeinen 8 sterke nadruk op de wet, de Tora, ook in relatie tot de opstanding.
Er moet dan ook niet de verkeerde tegenstelling ingelezen worden in Romeinen 8 en specifiek in vss. 8-11. Hier is niet de tegenstelling Geest-letter, of Geest-Tora. De tegenstelling is vlees-Geest. Er is een wet van zonde en dood (8:2). Maar leidend in Romeinen 8 is de ‘wet van de geest van het leven in Christus’ (8:2). Wet/Tora is een positieve grootheid die staat voor het leven met God, de normen en de gezindheid die daarbij horen. Doel is leven volgens de ‘wet van God’ (8:7). Dat doet God plezier. Dat is voor het vlees op zich onmogelijk, daarvoor is de Geest nodig. De Geest laat je dus de Tora doen.

Genesis en de levendmakende Geest
Duidelijk zijn ook de verwijzingen naar Genesis 2:7 (Adam krijgt de geest ingeblazen), ook tegen de achtergrond van Romeinen 5. Heel subtiel loopt er een lijn door de opeenvolgende hoofdstukken, langs die bijbelse hoofdpersonages, en Mozes hoort daarbij: er is Adam, schepsel maar zondig, een sterveling (Rom. 5), maar Paulus heeft dan al gewezen op Abraham, degene die hoort en gelooft en hoopt door de beloften, zelfs op de overwinning van het sterveling-zijn (Rom. 4), en er is meer op de achtergrond Mozes, als verpersoonlijking van de Tora, de geboden, de leefregels, de verantwoordelijkheid die wel te zwaar op ons Adam-achtige stervelingen kan drukken – maar daarmee is toch de gerechtigheid en de verbinding met God gegeven! In Jezus, als zoon van Abraham en vernieuwde Mozes, komt alles tot vervulling.

Paulus spreekt hier voluit bijbelse en joodse taal, die wel helemaal om Jezus is gecentreerd. De Geest van Hem die Jezus opwekte is nodig om het vleselijke tot zijn bestemming te laten komen. Daar lijkt Paulus toch ook exclusief over te spreken: dat gaat niet zonder of buiten Jezus Christus om. (Dit roept dus al om Romeinen 9-11, waarin Paulus’ de (niet-Joodse) volgelingen van Jezus nederig en bescheiden wil houden tegenover het deel van Israël dat in Jezus niet gelooft. Hoogmoed ligt op de loer.