Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 2 mei 2021

door Lieve Teugels

1‘Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de wijnbouwer. 2Iedere rank aan mij die geen vrucht draagt snijdt hij weg, en iedere rank die wel vrucht draagt snoeit hij bij, opdat hij meer vruchten draagt. 3Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb. 4Blijf in mij, dan blijf ik in jullie. Een rank die niet aan de wijnstok blijft, kan uit zichzelf geen vrucht dragen. Zo kunnen jullie geen vrucht dragen als jullie niet in mij blijven. 5Ik ben de wijnstok en jullie zijn de ranken. Als iemand in mij blijft en ik in hem, zal hij veel vrucht dragen. Maar zonder mij kun je niets doen. 6Wie niet in mij blijft wordt weggegooid als een wijnrank en verdort; hij wordt met andere ranken verzameld, in het vuur gegooid en verbrand. 7Als jullie in mij blijven en mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. 8De grootheid van mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.


Zowel in het Nieuwe Testament als in de rabbijnse traditie vinden we veel parabels over een wijnstok. Het model voor vele van deze parabels is te vinden in Jesaja 5:1-10. Deze laatste tekst is echter niet geformuleerd als een parabel: het is een lied over de “geliefde” die een wijngaard had. Uit de context kan afgeleid worden dat de geliefde God is, en de wijngaard Israël (v.7). De wijngaard, Israël, zal verwilderen en niet meer worden gesnoeid. Ook onze tekst in Johannes is niet geformuleerd als een parabel. Tekstdichter Huub Oosterhuis heeft er, net als Jesaja, een lied van gemaakt. Het bekende lied “Ik ben de wijnstok mijn vader de wijngaardenier” volgt vrijwel letterlijk de tekst van onze passage uit Johannes.

Jezus identificeert zich in dit lied met de wijnstok; de Vader, God, is net als in Jesaja, de eigenaar, de wijnbouwer. De rol die Israël speelde in Jesaja, wordt vervult door Jezus bij Johannes. Dit is een voorbeeld van vervullingstheologie door Johannes. Deze treedt, anders dan Jesaja, in meer detail door aan de wijnstok wijnranken te onderscheiden. De wijnranken zijn metaforen voor mensen, die op basis van deze metafoor als “delen” van Jezus worden gezien. Ze worden gepresenteerd als ranken “aan” de wijnstok Jezus. Het gaat dus om een specifieke groep mensen die zich reeds met Jezus en zijn boodschap verbonden hebben. Het is echter wel zaak dat ze aan de wijnstok blijven zitten, of “in mij” blijven. Als ze dat doen dan dragen ze vrucht, druiven, en als ze dat niet doen, dan dragen ze geen vrucht. Ook dat zijn bekende beelden uit de rijke Bijbelse wijngaard- en wijnstok metaforiek: wijnstok, druiven, wijn, samen met hun tegenstellingen: doornen en distels, die uitgerukt en verbrand worden.

In het Nieuwe Testament en in de rabbijnse literatuur worden deze Bijbelse beelden op een eigen manier ingevuld. In rabbijnse teksten staan wijngaard, wijnstok, en wijn, steevast voor de Tora en de geboden. “Onkruid” of “doornen” die de wijnstokken overwoekeren staan voor overtredingen van de Tora. Een omheining die om de wijngaard wordt gezet, slaat op het behoeden van de mens voor overtreding van de Tora. De associatie van wijngaard met Tora was zo courant, dat de rabbijnen de wijngaard vaak weglieten en kortweg spraken over een “omheining rond de Tora.” Een “omheining” om de Tora is onbegrijpelijk als men niet eerst de Tora voorstelt als iets dat omheind kan worden. Het metaforische gebruik van de wijngaard als beeld voor de Tora moet blijkens deze verwijzingen bekend zijn geweest onder Joden in de eerste eeuwen. Om die reden moeten zij bij een parabel of een lied over een wijnstok, gedacht hebben aan de Tora en het houden van de geboden. (zie teksttoelichting bij Mat 21:33-44.) 

Bij Johannes zien we, door het toevoegen van de rank, en het “in mij,” een ander gebruik van het beeld. In lijn met de eerder genoemde vervullingstheologie hebben de ranken, volgers van Jezus, alleen toekomst als ze vast blijven zitten aan de stok, Jezus. Alleen dan zullen ze druiven krijgen. Wie Jezus niet blijft volgen rukt zichzelf als rank af. Hem of haar volgt het lot dat Israël, dat de geboden niet onderhoudt, bij Jesaja en in de rabbijnse teksten te beurt valt: ze worden vruchteloos, overwoekerd, verdord, en uiteindelijk verbrand. Beelden van veroordeling.
Een interessant deel van de metafoor is het snoeien. In tegenstelling tot volledig afsnijden is snoeien goed voor de rank. Dat snoeien gebeurt door de wijngaardenier, hier God. Deze doet dit echter pas als de rank eerst vrucht heeft gedragen (v.2). Na het snoeien draagt de rank nog meer vrucht. Het is dus een kwestie van geven en nemen: de mens doet goed – God grijpt in – de mens doet nog beter. V. 3 bevat een ietwat raadselachtige toevoeging: “Jullie zijn al rein door alles wat ik tegen jullie gezegd heb.” Wat is rein in de context van een vruchtboom? Hierbij moeten we denken aan de regels in verband met de eerste vruchten van een boom in de Tora. Deze worden orla genoemd, en ze mogen drie jaar lang niet gegeten worden. In het vierde jaar moeten de vruchten aan God geofferd worden, en vanaf het vijfde jaar mogen ze door mensen gegeten worden (Lev 19:23-25). Een vruchtboom of wijnrank is dus pas “rein” als zijn eerste opbrengst aan God geofferd is geweest. Dit beeld speelt vermoedelijk op de achtergrond van Joh 15:3: Jezus heeft zijn aanhangers rein gemaakt door zijn woorden, op een vergelijkbare manier als God Israël, de vruchtbomen, geschikt, kosjer, verklaart nadat Hij heeft ingegrepen, hen heeft gesnoeid. Niet toevallig is orla ook het woord voor voorhuid: een Joodse man is pas “kosjer” als hij besneden is. In de rabbijnse literatuur worden beide expliciet met elkaar in verband gebracht: Abraham was al bijna perfect (tamim, Gen 17:1) hij “wandelde met God,” maar om volledig perfect te worden, moest hij nog een klein stukje bijgesnoeid worden:

“Wandel voor mijn aangezicht en wees tamim.” (Gen 17:1) Rabbi Levi zei dit kan vergeleken worden met een nobele dame tegen wie de koning zei” “Wandel voor me”. Ze wandelde voor hem en ze werd bleek, want, dacht ze, “misschien heb ik wel een defect.” De koning zei tot haar: “Je hebt geen defect behalve de nagel van je pink: die is een beetje te lang; knip hem bij en het defect is weg.” Zo ook zei God tot Abraham: “Je hebt geen ander defect behalve je voorhuid: verwijder deze en het defect is weg, “wandel voor mijn aangezicht en wees tamim.”

“En ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u.” Rabbi Choena zei in de naam van Bar Kappara: Abraham dacht na (waar hij het verbond zou moeten aanbrengen) en hij maakte een vergelijking: Hier staat orla (Gen 17:11), en orla wordt ook genoemd in verband met een boom (Lev 19:23). Net als orla in het geval van een boom verwijst naar de plaats hij fruit draagt, zo verwijst orla bij een man naar de plaats waar hij nakomelingen verwekt. (…) – bron: Genesis Rabba 46:4).

De besnijdenis is het teken van het verbond van God met Israël. Zo is het snoeien van de wijngaard een beeld van het “nieuwe verbond” dat Jezus sloot met zijn volgelingen.