Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 11 juni 2017
Zondag 30 mei 2021 


Nikodemus

door Theo Witkamp

De afbakening van deze perikoop is altijd lastig. Er valt veel voor te zeggen om 2:23-3:21 als een geheel te nemen. Nikodemus verschijnt immers niet als individu, maar als representant van hen die in Jezus geloven op grond van zijn wonderen (2:23; 3:1). Specifiek is hij degene die laat zien dat ironisch genoeg onder de Joodse leiders (‘de Farizeeën’) dezelfde tweespalt ontstaat (7:48-52) als in de menigte ‘die de wet niet kent’ (7:12, 31, 40-44). In de andere evangeliën komt hij niet voor. Johannes voegt hem literair gezien zelfs toe aan het verhaal van de graflegging, waar niet de vrouwen (Mar 16:1; Luc 23:56), maar hij met specerijen komt en hij samen met Jozef van Arimathea Jezus ten grave draagt (in plaats van Jozef alleen).

Nikodemus is steeds sympathiek, maar mist desondanks het ware inzicht. Hij komt bij Jezus met de woorden: ‘wij weten’, maar het vervolg toont dat hij eigenlijk niets weet. Jezus is in zijn rol van leraar en mystagoog direct en confronterend. Hij gaat niet in discussie, maar verschuift het gesprek naar de vraag om de toegang tot het heil. Hoe kun je het koninkrijk van God ‘zien’ of ‘binnengaan’? Dat kan slechts wanneer je uit God=van boven=opnieuw geboren wordt. (Het is de johanneïsche interpretatie van het synoptische ‘worden als een kind’.) Jezus wil hier direct uitsluiten dat een mens van zich uit kan beoordelen of iets uit God is. God kan slechts door God gekend worden (1:18). Wat hier staat is hetzelfde als wat we bv. in 6:44-46 lezen: ‘niemand kan bij mij komen, tenzij de Vader die mij gezonden heeft hem bij mij brengt’, waar Jezus met zoveel woorden zegt dat men daarvoor theodidact moet zijn. De term ‘koninkrijk van God’ komt bij Johannes slechts hier voor en het is een equivalent van ‘eeuwig leven , ‘de goddelijke werkelijkheid’, wat weer staat voor de Zoon in diens relatie tot de Vader (1:1-2,18), een relatie die open staat voor participatie (14:20). Zoals de oude kerk op grond van dit evangelie het formuleerde: Jezus is autobasileia, het koninkrijk in persoon.

We stuiten op een esoterische vorm van Jodendom, die niet denkt aan een politieke Messias, maar aan een geestelijke redder, die de poort naar de hemelse werkelijkheid openzet en waarbij kennis en inzicht betekent dat men aan die werkelijkheid participeert (vgl. 18:36-37). Het is dualistisch georiënteerd (licht-duisternis; waarheid-leugen) en platoons beïnvloed (onder-boven; aards-hemels; boven als de echte werkelijkheid). Hoewel Nikodemus een ‘leraar van Israël’ is en dit alles zou moeten kunnen begrijpen, hoort hij Jezus’ woorden slechts op een aards, concreet niveau en beseft hij niet dat men ze slechts geestelijk kan verstaan.

Jezus kan zich aan hem niet toevertrouwen (2:23-24; 3:11). Op grond van wondergeloof komt men immers maar al te gemakkelijk tot verkeerde conclusies (4:48; 6:14-15,26; 7:31), namelijk wanneer men ze als niet meer dan tastbare wonderdaden blijft zien (vgl. de hoop van de vrouw op een wonderbron in 4:15, waar Jezus haar tot een dieper verstaan leidt). Wanneer ze echter een deur tot inzicht en geloof worden (‘tekenen’) ontvouwen ze hun ware, hemelse betekenis (2:11; 6:26; 12:37; 20:30-31). Maar niet alleen de wonderen worden geestelijk, ook de mensen die veranderd zijn. Wie van bovenaf geboren is kan niet meer met aardse ogen beoordeeld worden (3:6). Vers 8, ‘de wind waait waarheen hij wil ...’, wordt vaak geciteerd om te zeggen dat de Geest niet te vangen is. In feite zegt het vers dat de mens die door de Geest is veranderd niet meer te vangen is. Hij is vrij. Zijn oorsprong (‘uit’) en daarmee zijn identiteit ligt niet meer ‘beneden’, maar ‘boven’.