Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 5 december 2021

door Adri van der Wal

In de eerste hoofdstukken van zijn evangelie vertelt Lucas afwisselend over Johannes de Doper en Jezus. Nadat hij heeft verteld over de aankondiging van de geboorte van Johannes (Lucas 1:5-25) verhaalt hij de aankondiging van Jezus’ geboorte (Lucas 1:26-38). Na het verhaal over de geboorte van Johannes en de mededeling over zijn opgroeien (Lucas 1:57-80) volgt het verhaal over Jezus’ geboorte en zijn opgroeien (Lucas 2). In Lucas 3 zien we Johannes terug. De woestijn is zijn verblijfplaats (Lucas 3:2), waar Lucas in 1:80 ook al over sprak.

In de woestijn spreekt God hem aan. Daar ‘gebeurt het woord van God’, zoals Lucas het formuleert (Lucas 3:2). Hij schrijft daar de werkwoordsvorm egeneto. Lucas maakt vaak van dat werkwoord ‘gebeuren’ gebruik, onder meer in Lucas 1:5.8.23.41.44.59.65; 2:1.6.15.42.46; 3:2.21; 5:1. De formulering in Lucas 3:2 lijkt sterk op wat onder meer in Jeremia 1:4; 2:1; Ezechiël 1:3 wordt gezegd: “Het woord van de HEER gebeurde tot ...”, dat wil zeggen: “kwam tot …”. Daarmee is duidelijk hoe Lucas Johannes de Doper wil typeren: in de lijn van de oudtestamentische profeten, in lijn met hun roeping. Johannes’ vader Zacharias had hem al als profeet bezongen in zijn lied na de geboorte van Johannes (Lucas 1:76).

Ook de uitgebreide datering, waarmee Lucas 3 begint, legt een verbinding met de oudtestamentische profetie. Vele profetische boeken beginnen met dergelijke dateringen (zoals Jeremia 1:2-3; Hosea 1:1; Amos 1:1; Micha 1:1; Sefanja 1:1). Het profetisch woord heeft alles met de actualiteit van dat moment te maken. Dat zal ook gelden voor wat Johannes zegt. Lucas verbindt ook andere gebeurtenissen duidelijk aan tijd, zoals de aankondiging van Johannes’ geboorte (Lucas 1:5) en Jezus’ geboorte (Lucas 2:1). Gods spreken en handelen gebeuren voor Lucas duidelijk in rapport met de tijd. Van de tijdsaanduidingen aan het begin van Lucas 3 is het vijftiende jaar van keizer Tiberius het meest concreet: ca. 29 na Chr.
In de tijdsaanduiding wordt het politieke en religieuze establishment van die dagen genoemd. Een aantal van de daar vermelde personen wordt later in het evangelie opnieuw genoemd. Zij blijken dan tegenstanders van Johannes (Lucas 3:19-20) en Jezus (Lucas 22-23).

In Lucas 3:3 vertelt Lucas dat Johannes optreedt in de gehele Jordaanstreek. Zijn optreden typeert Lucas als ‘verkondigen’ (kèrussein), in het openbaar spreken. Hij spreekt over omkeer, dopen, vergeving van zonden. Opnieuw worden we herinnerd aan Zacharias’ lied bij Johannes’ geboorte. Daarin zong hij dat Johannes het volk bekend zou maken met hun redding door de vergeving van hun zonden (Lucas 1:77). Johannes verkondigt in de lijn van de oudtestamentische profeten tesjoewah, omkeer, afscheid nemen van de manier van leven tot dan toe, terugkeer tot Tora. Illustratief daarbij is een belijdenis van zonde zoals die is verwoord in het traktaat Joma: “Mijn Heer, ik heb gezondigd, kwaad gedaan, in kwade gezindheid heb ik volhard en op verre wegen gewandeld. Zoals ik gedaan heb, wil ik het niet meer doen. Het moge U welgevallig zijn, HEER, mijn God, om al mijn daden te verzoenen en mij mijn misstappen te vergeven.” (geciteerd in: H.L. Strack – P. Billerbeck, Das Evangelium nach Matthäus, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, München 1922, 113).

De Jordaanstreek is symbolisch. De rivier markeert de overgang naar het beloofde land. De doop, die de tesjoewah bevestigt, is ook een overgang naar nieuw leven. Het is een onderdompeling. In de genoemde publicatie van Strack-Billerbeck wordt op pag. 102 aangegeven dat het baden van het gehele lichaam door de Tora werd voorgeschreven, als een Israëliet onrein was geworden, bijvoorbeeld door uitslag (Leviticus 14:1vv), door vloeiingen uit het lichaam (Lev. 15:1vv), door lijken (Numeri 19:11vv). Tevens was in de traditionele uitleg van de reinheidswetten een bad door onderdompeling voorgeschreven voor degenen die in de wet verplicht werden hun keren te wassen (verg. Leviticus 11:25.28.40; 13:6.34; Numeri 8:7.21; 19:10.21, e.a.). Daarmee werd levitische reinheid teruggekregen en kon weer aan de liturgie deelgenomen worden. Onderdompeling wordt daarmee dus in verband gezet tot reinheid.

Ook wat in Lucas 1:76b door Zacharias over Johannes wordt gezongen wordt door Lucas in Lucas 3 op Johannes betrokken: zijn rol als wegbereider. Lucas citeert Jesaja 40:3-5, waar het gaat over een reeks werkzaamheden ter voorbereiding van de komst van de HEER.
Dan zullen alle mensen zien hoe God redding brengt (Lucas 3:6). Dat “redden” speelt een belangrijke rol in de eerste hoofdstukken van Lucas. Zacharias zingt ervan (Lucas 1:77), de engel in de geboortenacht verkondigt de herders dat de redder is geboren (Lucas 2:11), Simeon zingt dat zijn ogen Gods redding hebben gezien (Lucas 2:30). In Lucas 3:6 klinkt dat thema opnieuw. In de “Kalenderinscriptie van Priëne” uit 9 v. Chr. wordt de Romeinse keizer Augustus als “redder” aangeduid. De genoemde stemmen in het evangelie wijzen een andere redder aan.
Simeon zingt in zijn lied dat hij Gods redding gezien heeft. Maar het zal niet bij hem alleen blijven: alle levenden zullen Gods redding zien (op beide plaatsen dus het “zien”). Deze wereldomvattende strekking wordt ook al door Simeon bezongen (Lucas 2:31-32). Dat wereldomvattende zal Lucas in het vervolg van zijn dubbelwerk Lucas-Handelingen uitwerken.