Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 20 juni 2021

Jezus als leraar

door Adri van der Wal


Frequent tekent de evangelist Marcus Jezus als leraar. Jezus zien we mensen onderwijzen in onder meer Mc. 1:21.22; 4:1.2; 6:2.6.34; 8:31; 11:17; 12:35. In Mc. 1:27; 4:2; 12:38 spreekt Marcus over Jezus’ lering. In Mc. 4:38 en 10:35 spreken leerlingen Jezus aan als ‘leraar’. Meermalen lezen we ook de aanspreektitel ‘rabbi’ (9:5; 11:21; 14:45). Ook lezen we rabboeni, ‘mijn Heer’ (10:51). In het verhaal over de storm op zee in Mc. 4:35vv spreken de leerlingen Jezus dus aan als leraar. Jezus is voor hen de leraar, degene die hen inwijdt in Gods geheimen.
Dit verhaal over de storm op het Meer van Galilea heeft veel gemeenschappelijk met het verhaal in Mc. 6:45-52. Marcus werkt vaker met tweetallen. Het verhaal in Mc. 4:35vv wordt ons deels met gebruikmaking van werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd verteld. De lezer wordt zo het verhaal in getrokken.
Na de lange rede van Mc. 4:2-34, uitgesproken vanuit een boot (4:1), stelt Jezus ’s avonds voor om naar de overkant te gaan: van Galilea, waar Hij steeds rondtrok, over het Meer van Galilea naar heidens gebied, naar het land van de Gerasenen (5:1). Jezus’ voorstel wordt uitgevoerd. Zij, dat zijn Jezus en zijn leerlingen, verlaten de toehoorders van de dag. De leerlingen nemen Jezus mee in de boot van waaruit Hij die dag onderwijs heeft gegeven. Het slot van 4:36 vertelt dat andere boten meevaren. Die boten komen verder in dit verhaal niet meer voor.
Dan steekt een zware storm op. Hier komt voor het eerst in dit verhaal het woordje ‘groot’ voor. Het zal nog twee keer klinken in dit verhaal: in de grote verstilling van het meer in vers 39 en in de grote vrees van de leerlingen in vers 41. Het water slaat over de rand van de boot en komt de boot in. Kennelijk kunnen de leerlingen het water zo snel niet weghozen, zodat de boot volloopt. Ondertussen lag Jezus achterin de boot met zijn hoofd op een kussen, slapend. Door het achteraan in de zin te zetten geeft Marcus dat slapen extra nadruk. Jezus is zich kennelijk van niets bewust. Vaak wordt hier de parallel getrokken met de profeet Jona. Ook hij slaapt (Jona 1:5), terwijl er een hevige storm is gaan woeden (Jona 1:4). Beiden worden wakker gemaakt. In beide verhalen klinkt het ‘wij vergaan’ (Jona 1:6; Mc. 4:38). Verwijtend wordt aan Jezus gevraagd of Hem dat niets kan schelen. De vraag van de leerlingen doet denken aan de indringende passage Ps. 44:24-27.
In 4:38 en 4:39 gebruikt Marcus voor het wekken van Jezus het woord ‘opwekken’, hetzelfde werkwoord dat hij in Mc. 16:6 gebruikt voor de aankondiging van Jezus’ opstanding. Zoals ook de verlamde man opstond (Mc. 2:11). Jezus trekt zich dan de situatie aan en legt de wind en de zee het zwijgen op. Hij bijt ze toe: ‘Zwijg! Wees stil!’ Een machtswoord met twee krachttermen. Dan gaat de storm liggen (in 4:37 en 4:39 wordt hetzelfde woord gebruikt) en het meer wordt compleet stil. Het is zoals Hij in Mc. 1:25 een demon het zwijgen oplegde. Jezus’ machtswoord doet denken aan Ps. 106:9, ‘Hij (= God) bezwoer de Rietzee, en zij viel droog.’ (Willibrordvertaling-1995).
Nadat Hij de storm gestild heeft komt Jezus met een dubbele vraag aan zijn leerlingen (4:40): waarom zij zo bangelijk waren en zij zo weinig vertrouwen hadden? Nu is Jezus teleurgesteld in hen, verwijtend naar hen. Wat een verschil met het vertrouwen van de vrienden en de verlamde man in Mc. 2:5!
De leerlingen reageren met grote vrees. Ze spreken niet uit dat ze dankbaar zijn voor hun redding, maar verbazen zich over Jezus en zijn macht over storm en zee. Doet die overmacht niet denken aan hoe God in Gen. 1 zijn wil aan de wateren (doodsmachten) oplegt? Jezus, door Marcus eerder als ‘Mensenzoon’ (de titel van de met macht beklede in Dan. 7:13-14) aangeduid (Mc. 2:28), toont hier zijn macht.