Joods-Christelijke Dialoog

Jefta, deel 3

Wat voorafging
In deel 1 en 2 over Jefta werd verteld over Jefta’s afkomst. Dat zijn vader onbekend was. Wel was zeker dat het een man uit Gilead was, want daar oefende Jefta’s moeder haar beroep uit, als vrouw van lichte zeden.
Omdat hij door zijn (half)broers onterfd was en geen eigen land bezat moest hij wel van roven zijn beroep maken. Door de omstandigheden gedwongen wordt hij een ervaren strijder, iets wat hem te pas komt bij zijn strijd tegen de Ammonieten.

Jefta’s eed
Om te laten zien dat het voor hem belangrijk is dat God hem de overwinning geeft belooft hij, als een soort tegenprestatie, dat hij de eerste de beste die hem bij zijn thuiskomst tegemoet komt, God aan zal bieden.
Ik citeer hier vers 31 uit de NBV-vertaling: Het eerste dat me bij mijn thuiskomst tegemoet komt zal voor u zijn; dat zal ik als brandoffer aan u opdragen.

De eed nader beschouwd
Jefta heeft het niet over ‘bij mijn thuiskomst’. Hij heeft het over ‘die uit de deur van mijn huis naar buiten komt’. In de eerste plaats betekent dit dat het een levend wezen moet zijn. In de tweede plaats dat het om een mens gaat. Huisdieren hield men niet in die tijd, en de ezel, het dier dat de mens het meest nabij was, kreeg geen plaats in het huis maar in de stal. En ook als met ‘huis’ stal bedoeld zou zijn, dan nog ging een dier niet door een deur de stal in of uit.
Verder wordt het woord ‘tegemoet’ in Tenach alleen gebruikt als het over mensen gaat. Van een dier wordt nergens gezegd dat die iemand ‘tegemoet ging’.
Jefta heeft bij zijn eed dus zeker een mens op het oog gehad!
Ook staat er niet ‘als brandoffer’, want in de tekst is er een duidelijke scheiding tussen het werkwoord ‘doen opgaan’ en ‘brandoffer’. Een betere vertaling is: ‘…die zal ik doen opgaan; het is een opstijgoffer’. (Meestal wordt het Hebreeuwse woord ‘`olah’ vertaald met ‘brandoffer’, maar de letterlijke betekenis is ‘opstijg(offer)’, een offer waardoor men dichter bij God wil komen.

Jefta’s dochter
De enige huisgenoot die in dit verhaal genoemd wordt is Jefta’s dochter. Van een vrouw wordt niet gerept. Ook niet van andere huisgenoten of verwanten. De logische gevolgtrekking is dat de enige waarvan men kon verwachten dat die met reikhalzend verlangen wachtte op Jefta’s terugkeer zijn dochter was. Nadrukkelijk wordt nog gezegd dat zij ‘zijn enige kind was, andere zonen of dochters had hij niet’ (vers 34 in de NBV). De Hebreeuwse tekst stelt het nog explicieter. Er staat namelijk: zij was alleen; hij had zelf geen zoon of dochter. (Ook in een Joods commentaar staat: van zichzelf had hij zoon noch dochter). Met andere woorden: Dit meisje lijkt een geadopteerd kind te zijn geweest. Mogelijk dat Jefta haar als wees opgenomen had tijdens een van zijn rooftochten, net zoals ook Naäman in 2 Koningen 5:2 een Joods meisje gekidnapt had tijdens een plundertocht.

Jefta’s ontreddering
Direct als Jefta het meisje ziet, roept hij uit dat het hem erg ter harte gaat dat zij het nu juist moest zijn die hem tegemoet komt. En, voegt hij eraan toe: Ik heb een gelofte gedaan en die kan ik niet ongedaan maken.
Drie opmerkingen hierbij: Jefta moet al op het moment dat hij zijn gelofte deed geweten hebben dat zijn (stief)dochter hem natuurlijk als eerste tegemoet zou komen bij zijn thuiskomst.
Ten tweede: Bij wat iemand zegt is niet zozeer van belang of hij de waarheid spreekt. Nee, het gaat om het bereiken van een doel. Daarbij is het van minder of zelfs geen belang of men de waarheid spreekt.
Ten derde: De schrijver heeft niet voor niets in Richteren 11:13-27 uitvoerig de woorden van Jefta aangehaald. Daaruit blijkt hoe goed Jefta op de hoogte was van wat in de Tora geschreven is. In Leviticus 18:2 en 20:2-5 en Deuteronomium 12:31 en 18:10 staat dat een mensenoffer in Israël absoluut verboden was. En in Leviticus 27:4 staat heel duidelijk dat men in plaats van een offer een vergoeding kan geven: Wanneer het een vrouw betreft, dan zal uw waardevaststelling dertig sikkels bedragen.
Jefta zegt wel dat hij zijn gelofte niet ongedaan kan maken, maar hij wist wel beter! Hij had dertig zilverstukken kunnen betalen, waardoor hij zijn gelofte had afgekocht. Ook begaat hij dan geen gruweldaad door een mens te offeren.
(Trouwens als men een dier offerde moest dit een mannelijk dier zijn, en beslist niet vrouwelijk).

De maagdelijkheid van het meisje
Het meisje vraagt enkele maanden uitstel voordat het vonnis over haar voltrokken zal worden. Gaat zij met haar vriendinnen haar onvoltooide leven bewenen? Nee, haar maagdelijke status. Dat wil zeggen dat ze haar maagdelijkheid niet zal kwijtraken en dus nooit nageslacht zal krijgen! Na twee maanden voltrok haar vader aan haar wat hij beloofd had. Daarbij is geen sprake van het offeren van een mens, en zelfs niet van een geldelijke vergoeding voor een onbezonnen gelofte. Nee, haar vader heeft ervoor gezorgd dat zij eeuwig maagd zou blijven. En zo’n opoffering sprak de Israëlitische meisjes zo aan, dat zij de viering van dit gebeuren elk jaar uitgebreid wilden gedenken. Geen enkel feest is Israël werd ooit vier dagen lang gevierd, en ook dit gebeuren wordt verder nergens vermeld. In de Joodse traditie is juist de vruchtbaarheid iets wat men moet vieren, en niet de ongereptheid. Kuisheid en celibaat heeft vooral in het christendom een grote vlucht genomen, maar is wezensvreemd aan het jodendom.
De vraag is dus niet of Jefta zijn dochter heeft geofferd, maar de vraag moet wel zijn waarom hij dit meisje dwong tot seksuele onthouding. Was het zijn eigen verknipte jeugd die hier verantwoordelijk voor was?

Jefta’s conflict met de stam Efraïm
Net als bij Gideon maken de Efraïmieten ruzie met Jefta nu de strijd gestreden is. Achteraf zeggen ze dat ze mee hadden willen strijden, waarna ze natuurlijk in de buit hadden kunnen delen. In tegenstelling met Gideon, die hen op een tactvolle manier weet te paaien, gaat Jefta er hard tegenin. Is de reden hiervoor de denigrerende opmerkingen van de Eraïmieten dat de Gileadieten niet een echte stam van Israël zijn, maar slechts een stelletje ongeregeld? Dit lijkt bij Jefta een gevoelig punt te raken. Ook hij was heel zijn leven beschouwd als een outcast.
Nu de Gileadieten in een overwinningsroes zijn weten ze ook de Efraïmieten te verslaan en na afloop van de strijd kunnen ze de Efraïmieten herkennen aan hun tongval. Zij kunnen namelijk ‘sjibbolet’ niet uitspreken en maken daar ‘sibbolet’ van. (Net als men in de oorlog Duitsers kon herkennen aan hun uitspraak van ‘Sjeveningen’).

Jefta’s einde
Zes jaar later sterft Jefta, waarbij staat dat hij begraven werd in de steden van Gilead. Dit meervoud ‘steden’ heeft veel uitleggers bezig gehouden, want gewoon is dat men op één plaats begraven wordt. Een zegen is het als men begraven kan worden in het graf bij zijn voorgeslacht. Als de aartsvaders sterven staat er: en hij werd vergaderd bij zijn voorvaderen. Bij Jefta is dat een probleem. Wie was zijn vader en wie waren zijn voorvaderen? Wel zegt de schrijver: Elke Gilead kon dit zijn.
Jefta was tijdens zijn leven al sterk verbonden met zijn vaderland Gilead, en na zijn dood wordt dit nog eens extra benadrukt door dit meervoud ‘steden’.