Joods-Christelijke Dialoog

Wat voorafging
In deel 1 werd verteld over de afkomst van Jefta, hoe hij als vaderloos kind van een hoer opgroeide. Ook werd meegedeeld dat hij bendeleider geworden was, gedwongen om te leven van de hand in de tand. Daarbij had hij de verantwoordelijkheid voor allerlei aan lager wal geraakte mensen die hun toevlucht bij hem gezocht hadden. Vanwege zijn ervaring met vechten zoeken de verantwoordelijken van de landstreek Gilead hem op om zijn hulp in te roepen als de Ammonieten hen bedreigen. Jefta gaat daar op in maar stelt zijn eigen voorwaarden.

Geschiedenisles
In Richteren 11 vers 12 tot 26 memoreert Jefta uitvoerig de gebeurtenissen die zich afgespeeld hebben tussen de uittocht van de Israëlieten uit Egypte en het binnenkomen in het beloofde land. Zo hebben zij niet het land van de Moabieten en ook niet dat van de Ammonieten in bezit genomen hebben. Het land Gilead was in handen van Sichon. En deze koning bond de strijd aan met de Israëlieten, en toen hij verslagen was, bezetten de Israëlieten zijn land, Gilead. De buurvolken zoals de Moabieten of Ammonieten hadden dan ook geen enkel recht op dit gebied. Ook hadden zij de drie eeuwen daarna nooit enig recht laten gelden op dit gebied.
Kortom: De aanspraken die de Ammonieten nu maken zijn nergens op gebaseerd en lijken alleen voort te komen uit veroveringsdrang.

Rechtmatig bezit
De uitvoerige beschouwingen over wat zich in het verre verleden heeft afgespeeld hebben een dubbele functie in het verhaal: Jefta probeert door redelijk argumenteren de tegenstander te overtuigen van diens ongelijk, wat geen succes heeft. Bij de Ammonieten was een ingebeeld denkbeeld een vaststaand feit geworden, net als wij in onze tijd dit in allerlei situaties kunnen herkennen. Wat men eenmaal in zijn hoofd gezet heeft is er door argumenten niet zomaar uit te praten. Jefta ervaart dit hier ook.
Maar het tweede wat de schrijver op het oog heeft, en wat niet zomaar voor de hand ligt, is dit: Jefta geeft blijk van zijn enorme kennis van wat in de Tora, de boeken van Mozes, geschreven is. Hij citeert vooral uit het vierde boek, het boek Numeri, dat de reizen van de Israëlieten beschrijft. Voor wie de degelijke onderbouwing van Jefta’s opvattingen wil controleren: Exodus 14, Numeri 14, 20: 1 en 14-21, 21:4 en 21-34, 22:3 en Deuteronomium 2:1 en 2: 26-37.

De opmaak tot de strijd
De koning van de Ammonieten wil niets weten van Jefta’s argumenten, waarop Jefta tot de aanval overgaat. Waarschijnlijk met de gedachte dat de aanval de beste verdediging is. De bijbelschrijver zegt het vromer: De geest van de Heer kwam op Jefta. Zoals zoveel richters vóór hem, gaat Jefta twijfelen of hij zijn taak wel kan volbrengen. Hij probeert extra druk op de Heer uit te oefenen door hem iets te beloven. Dat iets moet wel veel waarde hebben, wil het gewicht in de schaal leggen. En het meest kostbare dat hij heeft biedt hij de Heer aan. Hij zegt dit op een verborgen wijze, en zegt: Als u echt de Ammonieten in mijn macht geeft, dan zal ik de eerste die mij begroet bij mijn thuiskomst aan u wijden.

Op wie of waarop doelt Jefta in zijn belofte?
Op deze vraag worden zeer verschillende antwoorden gegeven, en de geleerden zijn het er nog altijd niet over eens wie of wat Jefta op het oog heeft.
De lezer wordt uitgedaagd zelf argumenten te bedenken die voor het één of het ander pleiten.
Van de mogelijkheden die genoemd worden noem ik alvast de volgende:
- Jefta’s dochter
- Een andere huisgenoot
- Een huisdier
- Jefta heeft niets of niemand speciaal op het oog.

(Wat het ‘wijden aan’ betreft, daar zal in deel 3 ook verder op ingegaan worden).