Joods-Christelijke Dialoog

Vertaling en verklaring

Vers 1 En de knaap Samuel deed dienst bij de Eeuwige voor het aangezicht van Eli. En het woord van de Eeuwige was zeldzaam in die dagen; geen visioen brak door.
Dienst doen, dienen, bedienen. Met name de priesterdienst vervullen in het heiligdom wordt hiermee aangeduid.
Zeldzaam, schaars: eigenlijk ‘kostbaar’.
Visioen, gezicht.

Vers 2 En het geschiedde op die dag dat Eli op zijn plaats lag en zijn ogen waren troebel geworden. Hij kon niet meer zien.
Troebel worden, zwak worden. In Genesis 48:10 wordt dit ook gezegd van Jakobs ogen. Van Eli wordt dit nogmaals gezegd in I Samuel 4:15. In I Koningen 14:4 ook van de profeet Ahia. Het werkwoord wordt gebruikt in Genesis 27:1 om Izaäks verminderde gezichtsvermogen mee aan te duiden.
In Tenach komen drie verschillende uitdrukkingen voor om een verminderd gezichtsvermogen mee aan te duiden.
Mogelijk dat het niet meer zien van Eli symbolisch is voor het niet zien van het slechte gedrag van zijn zonen.

Vers 3 En de lamp van God was nog niet uitgegaan. En Samuel lag in de tempel van de Eeuwige waar de kist van God was.
Lamp. Met ‘de lamp van God’ is mogelijk de kandelaar met de zeven lampen die in het heiligdom stond, bedoeld. Volgens I Koningen 7:49 en Exodus 27:20 behoorden de zeven lampen dag en nacht te blijven branden. Wordt hier de lamp ’s nachts gedoofd? Of is bedoeld het einde van de nacht? Dan komt namelijk het moment dat de olie in de lampen vernieuwd moet worden. Zie Exodus 30:7-8. Volgens Kimchi is bedoeld de tijd vlak voor het ochtendgloren. Waarschijnlijk heeft deze uitdrukking ook een symbolische betekenis en slaat ze op Eli.
Nog niet. Eigenlijk betekent dit woord ‘verwijdering’. In vers 7 wordt dit woord zelfs tweemaal gebruikt.
Uitgaan. Eigenlijk ‘losmaken’.
Tempel, paleis. De Masoreten hebben vóór dit woord een scheiding gezet om daarmee aan te geven dat Samuel niet in het heiligdom zelf sliep, maar in een bijvertrek.
Kist: gewoonlijk vertaald met het woord ‘ark’.

Vers 4 En de Eeuwige riep tot Samuel. En hij zei: hier ben ik.
Roepen tot, ontbieden.

Vers 5 En hij snelde naar Eli. En hij zei: Hier ben ik, u hebt mij immers geroepen. En hij zei: ik heb je niet geroepen. Ga terug, ga weer liggen. En hij ging en hij ging liggen.
Teruggaan, omkeren.

Vers 6 En de Eeuwige ging voort Samuel nogmaals te roepen. En Samuel stond op en hij ging naar Eli. En hij zei: hier ben ik, want u hebt mij immers geroepen. En hij zei: Ik heb niet geroepen mijn zoon. Ga terug, ga weer liggen.
Voortgaan, opnieuw doen.
Nogmaals: dit is dubbelop.

Vers 7 En Samuel kende de Eeuwige nog niet, en nog niet was het woord van de Eeuwige hem geopenbaard.
Openbaren. Het gewoonlijk gebruikte werkwoord bij ‘het woord van de Eeuwige’ is ‘geschieden’. Alleen hier en in Daniël 10:1 wordt het woord ‘openbaren’ gebruikt.

Vers 8 En de Eeuwige ging voort Samuel te roepen voor de derde keer. En hij stond op en hij ging naar Eli. En hij zei: hier ben ik. En Eli begreep dat het de Eeuwige was die de knaap riep.
Voortgaan, opnieuw doen.
Begrijpen, inzien.

Vers 9 En Eli zei tot Samuel: Ga, ga liggen. En het zal geschieden als hij je roept, dat je zult zeggen: Spreek Eeuwige, want uw knecht hoort. En Samuel ging en hij ging liggen op zijn plaats.

Vers 10 En de Eeuwige kwam en hij ging staan en hij riep net als de vorige keren: Samuel, Samuel. En Samuel zei: Spreek, want uw knecht hoort.
Gaan staan, zich opstellen. Deze uitdrukking wordt ook gebruikt in Exodus 34:5 bij Mozes en in Numeri 22:22.
Net als de andere keren: letterlijk ‘als stap op stap’, ‘als keer op keer’.
Eli had Samuel opgedragen te zeggen ‘Eeuwige, spreek’, maar Samuel gebruikt de godsnaam niet. Is dit omdat hij nog geen kennis van God had?

Vers 11 En de Eeuwige zei tot Samuel: Zie ik ben van plan iets in Israël te doen waarvan ieder die het hoort beide oren zullen tuiten.
Van plan zijn, op het punt staan.
Tuiten (de oren). Dit woord wordt ook in II Koningen 21:12 en Jeremia 19:3 gebruikt, en daar wordt kennis genomen van een ramp en het effect daarvan op degenen die het horen.

Vers 12 Op die dag zal ik aan Eli gestand doen al wat ik over zijn huis gesproken heb, van begin tot het eind.
Gestand doen. Letterlijk ‘doen opstaan’.

Vers 13 En ik heb hem meegedeeld dat ik recht zal spreken over zijn huis voor altijd, wat betreft de ongerechtigheid waar hij van weet, want zijn zonen hebben verachting over zich gehaald en niet heeft hij hen berispt.
Meedelen, vertellen, te kennen geven. Dit is een verwijzing naar 1 Samuel 2:27-36.
Ongerechtigheid, zonde, misdaad.
Zichzelf verachten, zich gering achten.
Over zich: in plaats van dit woord heeft hier oorspronkelijk gestaan ‘God’. De Septuaginta en oude Latijnse vertalingen hebben dit wel. Door een schriftwijziging hebben we onze huidige tekst gekregen! De oorspronkelijke tekst werd godslasterlijk geacht en daarom vervangen door een acceptabeler tekst. Dit noemt men een tiqqoen soferim. Deze zelfde uitdrukking staat in Exodus 22:27, Leviticus 24:15 en Jesaja 8:21. De straf die er staat op het verachten van God was steniging, volgens Leviticus 24:14.

Vers 14 En daarom zweer ik ten aanzien van het huis van Eli: De schuld van het huis van Eli zal zeker niet verzoend worden door een offer of geschenk, voor altijd.
Offer. Hiermee werd een bloedig offer aangeduid.
Geschenk, bijdrage. Hiermee werd een onbloedig offer aangeduid.
Vers 15 En Samuel ging liggen tot de morgen. En hij opende de deuren van het huis van de Eeuwige. En Samuel was bang het visioen aan Eli mee te delen.
Deuren. Met het meervoud zullen dubbele deuren, vleugeldeuren bedoeld zijn.
Visioen, gezicht. Opmerkelijk is dat alleen meegedeeld is dat Samuel Gods stem gehoord had en niet dat hij een visioen gezien had.

Vers 16 Maar Eli riep Samuel, en hij zei: Samuel, mijn zoon. En hij zei: hier ben ik.

Vers 17 En hij zei: Wat is het woord dat hij tot jou gesproken heeft. Verberg het beslist niet voor mij. Zo moge God jou doen, en zo moge hij voortgaan, als jij voor mij iets verbergt van heel het woord dat hij tot jou gesproken heeft.
Eerst vraagt Eli wat er gebeurd is, daarna eist hij een volledig verslag, en tenslotte dreigt hij.

Vers 18 En Samuel deelde hem alle woorden mee, en hij verborg niets voor hem. En hij zei: Hij is de Eeuwige. Hij doe wat goed is in zijn ogen.
En hij zei: : de eigennaam Eli ontbreekt: een geval van denominalisatie. Hierdoor wordt het onderwerp als het ware geringer gemaakt.

Vers 19 En Samuel werd groot. En de Eeuwige was met hem, en hij liet van zijn woorden niets ter aarde vallen
Groot worden. Zie ook 2:21 en 2:26.

Vers 20 En heel Israël kwam te weten, van Dan tot Berseba, dat Samuel aangesteld was tot profeet voor de Eeuwige.
Dan was de noordelijkste stad in Israël en Berseba de zuidelijkste. Met de uitdrukking ‘van Dan tot Berseba’ wordt bedoeld het hele land bedoeld, van noord tot zuid.

Vers 21 En de Eeuwige ging voort in Silo te verschijnen. Want de Eeuwige openbaarde zich aan Samuel in Silo in het woord van de Eeuwige.
Het eerste deel van dit vers spreekt van verschijningen, het tweede deel van openbaring in directe taal.

Commentaar verwerkt van: Alter, v.d.Born, Budde, Goslinga, de Groot, Hertzberg, Keil, Pulpit, Smith, de Soncino-uitgave, v.d. Spek, Violet en van Zijl.