Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 4 februari 2018
Zondag 7 februari 2021

door Lukas de Groote, arts

Ter inleiding van dit gedeelte is het goed om wat voorafging kort te vermelden. In 2 Koningen 4:8-17 wordt verteld hoe een aanzienlijke vrouw speciaal voor de profeet Elisa een logeerkamer laat maken op het dak. Ook meubileert ze deze kamer voor hem. Op Elisa’s vraag komt hij van zijn knecht te weten dat het enige dat deze vrouw mist is: een kind. Blijkbaar was dat Elisa zelf niet opgevallen. En voor een Israëlitische vrouw in die tijd was dat het ergste wat men kon overkomen: kinderloos blijven. Elisa voorspelt haar dat ze binnen een jaar een zoon zal hebben. En zo gebeurt. En dan begint in vers 18 het gedeelte dat gelezen en besproken zal worden.

Het kind is blijkbaar al enkele jaren oud, want hij mag op eigen gelegenheid naar het veld gaan waar zijn vader aan het maaien is. Zodra hij bij zijn vader was zegt hij ‘Mijn hoofd, mijn hoofd’. Deze laat een knecht het kind naar zijn moeder brengen. Opmerkelijk is dat de vader dit niet zelf doet, terwijl zijn enige zoontje een beroep op hem doet.
De vraag is wat de reden was dat het kind zo plotseling over zijn hoofd ging klagen. De meeste exegeten veronderstellen dat het om een zonnesteek ging, en wijzen op Jesaja 49:10 en Psalm 121:6 waar ook sprake van een zon die steekt.*
Vervolgens brengt de knecht hem naar huis, naar zijn moeder. Deze neemt hem op schoot tot de middag, waarna het kind sterft.
Door de manier waarop het verteld wordt lijkt het dat de moeder geruime tijd met het kind op schoot heeft gezeten, waarna het stierf. En het sterven geschiedt tegen de middag, als de zon hoog aan de hemel staat. Met andere woorden: het kind moet al vroeg in de ochtend over zijn hoofd zijn gaan klagen, want het lijkt geruime tijd bij zijn moeder op schoot te hebben gezeten. Dus van een zonnesteek kan geen sprake geweest zijn, want die kan men pas oplopen als men geruime tijd in de felle zon bezig geweest is, waarbij men weinig gedronken heeft.
De moeder legt vervolgens het kind in de logeerkamer die voor Elisa bedoeld was, en ze vraagt haar man haar een knecht af te staan met een ezelin om Elisa op te zoeken.
Heel bewust zal de vrouw om een ezelin gevraagd hebben, want ezels werden vooral gebruikt als pakdieren, en de oogst moest binnengehaald worden. Een tweede reden was dat ezelinnen een gelijkmatiger tred hebben als ezels en als rijdier dus wat geriefelijker.
Haar man verwondert zich over aar verzoek, want naar zijn mening is er geen enkele aanleiding een profeet te bezoeken op een doordeweekse dag. Opvallend is dat hij geen enkele vraag stelt over zijn kind die toch ziek naar huis gebracht is.
De vrouw geeft hem daarop een nietszeggend antwoord.
In grote draf legt de vrouw de dertig kilometer af van haar woonplaats Sunem naar de Karmel, waar Elisa woonde. Elisa ziet haar aankomen, ‘tegenover zich’. Men zou verwachten dat hier zou staan ‘van verre’, want hij stuurt zijn knecht Gehazi haar tegemoet. Mogelijk dat de schrijver suggereert dat Elisa al aanvoelt dat de vrouw zich tegenover hem zal opstellen.
Als de vrouw bij Elisa is gekomen en zich op zijn voeten werpt, begrijp Elisa dat er iets ernstigs aan de hand, iets dat God hem niet meegedeeld had.
Dan maakt de vrouw hem het verwijt dat zij zelf niet om een zoon gevraagd had. Zij had zich verzoend met haar onvruchtbaarheid, en de profeet gezegd haar geen valse hoop te bieden. Letterlijk is het niet waar wat de vrouw zegt, want ze heeft een kind gekregen en de hoop was niet vals. Maar het verdriet over dit verlies is voor haar zo groot dat men geen redelijkheid van haar kan verwachten.
Dan stuurt Elisa zijn knecht naar het huis van de vrouw met zijn stok ( het symbool van zijn autoriteit? Hoewel het woord wordt elders alleen gebruikt voor mensen die zo’n stok nodig hebben om op te steunen), om deze op de jongen te leggen. Verkeerde Elisa nog in de veronderstelling dat het kind nog niet gestorven was?
Maar de moeder weigert met de knecht mee te gaan en dwingt als het ware Elisa om zelf op pad te gaan. Als Elisa bij het huis komt en zijn vertrek binnengaat, ziet hij het dode kind daar liggen. Met zijn eigen lichaamswarmte warmt hij het kind op, na tot zijn God te hebben gebeden. Dit tafereel herhaalt zich, en daarna niest de jongen zeven keer. Elisa laat de moeder roepen, en –zeer onderkoeld- zegt hij de vrouw haar zoon mee te nemen.
In 1 Koningen 17:17-24 wordt eenzelfde soort verhaal verteld over Elia en het kind van zíjn gastvrouw. Wat bij Elia opvalt, zijn vooral zijn woorden en uitingen van betrokkenheid bij de moeder. Elisa’s gedrag wordt gekenmerkt door zijn handelen, en afstandelijkheid naar de moeder toe.

*Medisch gezien lijkt het een onmogelijkheid dat het kind aan een zonnesteek is bezweken, want de zonnewarmte is de eerste uren van de dag nog niet zo sterk dat men oververhit zal raken. Trouwens als het kind met een zonnesteek thuis was gekomen zou de moeder het zeker afgekoeld hebben en niet uren op (een warme) schoot hebben laten zitten.
Er lijken enkele mogelijke oorzaken te zijn voor de ziekte van dit kind:
1/Een acute hersenvliesontsteking. Daaraan kan een kind in korte tijd bezwijken.
2/Een acute hersenbloeding door afwijkende bloedvaten in de hersenen.
3/Een anafylactische shock, doordat het kind iets gegeten had waar het overgevoelig voor was. Bij zo’n overgevoeligheid kan, naast benauwdheid en misselijkheid, ook hoofdpijn optreden. Het niezen van het kind zou hier ook bij kunnen passen. En als het effect van de veroorzakende stof is weggeëbd kan het kind weer bijkomen.  imperatief