Joods-Christelijke Dialoog

Ezekiel 17:22-24. Over de bomen in het veld.

door Lieve Teugels

22Dit zegt God, de EEUWIGE: “Ikzelf zal uit de top van de hoge ceder, tussen de bovenste takken, een teer twijgje wegplukken, en dat zal ik planten op een hoge en verheven berg. 23Op de hoogste berg van Israël zal ik het planten, het zal takken dragen en vruchten voortbrengen, en een prachtige ceder worden. In die boom, in de schaduw van zijn takken, zullen vogels wonen, alle soorten vogels die er zijn. 24En alle bomen in het veld zullen beseffen dat ik, de EEUWIGE, het ben die een hoge boom velt en een kleine boom doet groeien, die een gezonde boom laat verdorren en een verdorde boom weer laat bloeien. Wat ik, de EEUWIGE, gezegd heb, zal ik doen.”’

Deze profetie van Ezechiël gaar over een twijgje dat door de Eeuwige uit de top van een hoge ceder wordt geplukt en vervolgens geplant op een hoge berg, in Israël. Het twijgje wordt een grote boom: vogels nestelen er in en andere, kleinere bomen kijken bewonderend naar de machtige ceder. De kleinere bomen die in het veld groeien, niet op de berg, zoals de ceder, zullen zich realiseren dat de hand van God hier in is: Hij doet bomen groeien of verdorren, het hangt van zijn oordeel en ingrijpen af.

Het verhaal van de ceder, het twijgje en de kleinere bomen, kan worden opgevat als een parabel: in die parabel speelt alles zich af in de plantenwereld. Echter, reeds vanaf het eerste vers (v.22) zien we een vermenging van de parabel en de toepassing: er wordt gezegd dat God het stekje uit de top van de ceder neemt. Ook het gegeven dat de bomen “beseffen” dat het God is die naar believen bomen velt en doet groeien, is een vermenging van beeld en toepassing. De ceder, het twijgje en de andere bomen zijn namelijk een beeld, een metafoor. Die staan voor iets in de heilsgeschiedenis van Israël. God is daarin echter geen beeld of metafoor. Het is niet zo uitzonderlijk dat metafoor en toepassing, masjal en nimsjal door elkaar raken, maar we moeten er wel aandacht aan geven: het gaat hier uiteraard niet om denkende bomen – die bomen staan voor mensen. Om te begrijpen over welke mensen het gaat moeten we de context van deze passage betrekken.

De metaforen in deze passage kunnen niet los gelezen worden van wat er aan vooraf gaat in dit hoofdstuk van Ezechiël. In vv. 1 lezen we dat Ezechiël de opdracht krijgt een parabel te vertellen (mesjol masjal). In v. 2-4 treffen we een adelaar die ook een takje uit de top van een ceder plukt. Dat takje legt de adelaar, wat raadselachtig, in een “land van handelaars,” --in het Hebreeuws, “het land Kanaän” -- en een “koopmansstad.” In plaats daarvan neemt de adelaar een andere zaailing, geen ceder: deze groeit uit tot een lage maar goed geaarde wijnstok. Die wijnstok richt zijn takken echter naar weer een ander adelaar, die hem losrukt en zijn vruchten afplukt.

De toepassing van deze mesjalim wordt expliciet gegeven in vv. 11-21. Er wordt uitgelegd dat de beelden van de cedertwijg en de wijnstok over de koning en de andere leiders van Israël gaan, die door de Babyloniërs zijn weggevoerd. Dat de ceder wordt gebruikt als beeld voor het koningshuis heeft ermee te maken dat een deel van het koninklijk paleis in Jeruzalem met cederhout was gebouwd (c. 1 Kon 7:2). De adelaar wordt door de exegeten geïnterpreteerd als Nebukadnezzar (cf. Jes 11:1), de twijg als Jehojakin en de wijnstok als de “kleine” koning Zedekia.* De koning (de wijnstok Zedekia) was in eerste instantie gespaard omdat hij trouw had gezworen aan de Babylonische koning, maar ging een alliantie aan met de Egyptenaren (Farao Psammetichus II), waarvoor hij zwaar gestraft werd: ook hij werd naar Babel gevoerd (Cf. Jer 27-28).

Daarop volgt dan onze passage (vv. 22-24): het beeld van de ceder wordt weer opgenomen. Een tweede twijg wordt ten tonele gevoerd. Dit keer zal het de twijg wel goed vergaan, want God zelf staat in voor zijn groeien en bloeien. Het gaat hier over de toekomstige restauratie van de Davidische dynastie. De andere bomen staan voor de andere volkeren die de macht van Israël zullen zien, en de hand van God daarin zullen begrijpen. De machtige boom heeft messiaanse allures. Het beeld van een twijg of een zaadje dat een grote boom wordt vinden we vaak in de context van messianisme. In het evangelie vinden we dat beeld in de parabel van het mosterdzaadje (Marcus 4:30-32) en in de gelijkenis die daar direct aan voorafgaat. Om die reden zijn beide lezingen verbonden in het leesrooster.

*The Jewish Study Bible bij Ezechiel 17