Joods-Christelijke Dialoog

Exegetische kanttekeningen bij Daniel 6

door Harry Smit

1. Het Bijbelboek Daniel staat in de christelijke canon bij de sectie van de Profeten, maar in de canon van Tenach behoort het tot de Geschriften (Chetoebim). De voornaamste oorzaak dat Daniel in de joodse canon niet tot de profeten wordt gerekend is het feit dat de Talmoed (BT Megillah 3a) uitdrukkelijk zegt dat Daniel geen profeet is. Tegelijk is hij wel onder de profeten en in sommige opzichten zelfs boven hen verheven getuige deze bijzondere tekst:
“En ik, Daniel, zag alleen het visioen, maar de mannen die bij mij waren, zagen het visioen niet. Maar een grote beving viel op hen en ze vluchtten weg. Wie waren deze mannen? Rabbi Yirmiyah zei, en sommigen zeggen dat het Rabbi Chiya bar Abba was: “Zij waren de [profeten] Chaggai, Zacharia en Maleachi. Ze waren superieur aan hem [Daniel], en hij was superieur aan hen. Ze waren superieur aan hem, omdat ze profeten waren en hij niet. Hij was superieur aan hen, omdat hij het visioen zag en zij niet.”
Louis Ginzberg schrijft in The Legends of the Jews over Daniel, dat hij het meest vooraanstaande lid was van de joodse gemeenschap in ballingschap in Babel. Waarin blonk hij uit? Volgens Ginzburg in Wijsheid, Vroomheid en Goede Daden. En deze drie zaken komen op een opmerkelijke manier naar voren in de tekst van Daniel 6.

2. Het Bijbelboek Daniel heeft waarschijnlijk zijn definitieve redactie gekregen in de tweede eeuw ten tijde van de Makkabeeën. Toen regeerde de Syrische vorst Antiochus IV Epiphanes over het joodse rijk en hij verontreinigde de tempel met afgodsbeelden en niet-koshere beesten. De opstand van de Makkabeeën in 167 B.C.E. was ten diepste een gevecht om de joodse identiteit ten tijde van de bezetting door een vreemde mogendheid. Het Bijbelboek Daniel laat op bijzondere wijze zien hoe mensen in moeilijke tijden trouw kunnen blijven aan wie zij zijn. Het gaat daarbij voluit over vragen van integratie en assimilatie en werpt een bijzonder licht op hoe minderheden moeten leven in een vreemde, soms ook vijandige cultuur en godsdienst.

3. Aan het begin van ons hoofdstuk worden de bakens verzet. Een zekere Darius wordt koning van het Rijk van de Meden. Wie was hij? Want je komt hem nergens in de gewone annalen tegen. Een deel van de wetenschappers identificeert hem met de Bijbelse koning Cyrus. Anderen zetten hem op de troon als koning van de Meden naast Cyrus als koning van de Perzen. De tekst van Daniel 6 vers 29 lijkt dat te ondersteunen: Deze Daniël is een geslaagd man geworden in het koninkrijk van Darius en in het koninkrijk van Kores, de Pers.
Bijzonder detail is de vermelding van zijn leeftijd van 62 jaar bij zijn aantreden. De rabbijnen hebben even teruggerekend en zien vervolgens dat hij geboren werd op de dag dat Nebukadnessar de tempel in Jeruzalem binnengaat en dus ontwijdt. Zo wordt Nebukadnessar dus op termijn gestraft voor zijn ontheiliging van de tempel. De man die hem ooit zal verslaan wordt op de dag van zijn overtreding geboren.

4. Daniels Wijsheid
Bij het moment van zijn aantreden stelt Darius direct 120 satrapen aan en daarboven drie grootvorsten over zijn gigantische rijk. Gezamenlijk besturen zij politiek en militair het rijk. Daniel is een van de drie grootvorsten. Samen met de twee anderen vormen zij een soort tussenmacht. De satrapen moeten aan hen rapporteren en zij rapporteren vervolgens gedrieën aan de koning. De tekst legt direct de nadruk op Daniels wijsheid in vers 4 als er staat: Terstond overtrof deze Daniël de grootvorsten en de satrapen. En de tekst vertelt ook waarom: omdat er een buitengewone geest in hem was ( ר֚וּחַ יַתִּירָא֙). De gevolgen daarvan zijn groot, want de koning dacht erover hem te doen staan over heel het koninkrijk. Daarmee zou hij een soort rol krijgen als ooit Jozef in Egypte. Maar Daniels wijsheid, getypeerd als een ‘excellente geest’, roept de jaloezie op bij de twee andere grootvorsten en bij de 120 satrapen.




5. Daniels Goede Daden
Doordat zijn jaloerse medebestuurders nu tegen hem samenzweren zoeken ze naar iets wat Daniel ten val kan brengen. De tekst noemt een paar dingen, maar allereerst: עִלָּ֛ה. De Naardense Bijbel vertaalt dat woord met een ‘voorwendsel’. Rashi en anderen hebben het over een ‘valse beschuldiging’ en verbinden het woord met de tekst van Deut. 22 vers 14: עלילה. Daar brengt een man zijn eigen vrouw bewust in ‘opspraak’, omdat hij van haar af wil.
Het tweede wat genoemd wordt is שְׁחִיתָ֜ה. Dit is de term die gebruikt wordt voor ‘corruptie’. De tekst benadrukt echter dat ze niks konden vinden omdat Daniel zo betrouwbaar מְהֵימַ֣ן was.
En het derde wat genoemd wordt is שָׁלוּ֙. Hierbij gaat het om ‘nalatigheid’. Opvallend dat bij alle drie de termen telkens het woord כָל wordt gebruikt. Ze hebben dus echt alles onderzocht, maar vonden niets waarmee ze hem (vals) zouden kunnen beschuldigen. Er waren nergens losse eindjes. Kortom Daniel laat in alles alleen maar Goede Daden zien. Er is nergens twijfel!
Maar door het zo nauwkeurig nagaan van zijn daden ontdekken ze dat Daniel een religieus man was. Blijkbaar was hen dat in het bijzonder opgevallen en daarmee komt zijn derde bijzondere eigenschap aan het licht.

6. Daniels Vroomheid
Tijdens een vergadering van alle gezagsdragers in het rijk: grootvorsten, oversten, satrapen, raadgevers en stadhouders van de koning wordt een decreet אֱסָ֑ר bedacht, inhoudende een verbod op elke vorm van een בָ֠עוּ (verzoek) aan God of mens voor 30 dagen. Feitelijk is dit een verbod op elke vorm van gebed. Hiermee plaatsen ze Daniel voor een enorm dilemma. Stopt hij met zijn dagelijkse gebeden? Of riskeert hij de straf in het decreet: de kuil met de leeuwen גֹ֖ב אַרְיָֽוָתָֽא.
De tekst is volstrekt helder. Zodra het decreet door de koning is ondertekend gaat hij naar binnen, zijn eigen huis in. Hij zoekt dus een privéplek. Was hij gewend om in het openbaar te bidden? Als bestuurder en grootvorst was hij ongetwijfeld niet in staat om altijd naar huis te gaan voor zijn dagelijkse gebeden. Het Sjacharit [ochtendgebed], het Mincha [middaggebed] en het Ma'ariv [avondgebed] deed hij waarschijnlijk vaak op zijn werkplek of in de synagoge. Daarom wisten de andere bestuurders ook van zijn vroomheid. Nu na het decreet gaat hij bewust naar binnen in zijn eigen privévertrekken en hij gaat ook naar boven, naar de opperzaal of de bovenruimte עִלִּיתֵ֔הּ. Daarmee wil hij dus vasthouden aan zijn gewoonte tot gebed, maar kiest gezien de situatie voor een plek waar hij niet zichtbaar is boven in zijn huis. De ramen gaan open richting Jeruzalem op drie tijdstippen per dag knielde hij op zijn knieën neer, buigend en dankend voor het aangezicht van zijn God, precies zoals hij voorheen deed.
Overigens meent de 19e eeuwse rabbi Malbim dat Daniel zich keurig aan de wet hield. De gebeden zijn lofprijzingen tot God en van algemene aard en hebben helemaal niet het karakter van een verzoek.
Hoe dan ook, zijn tegenstanders zien in zijn gebeden wel degelijk een overtreding. Volgens Rashi zinspeelt de gebruikte term הַרְגִּ֔שׁוּ vertaald met ‘onrustig te hoop lopen’ op spionage. En dat deden ze feitelijk ook. En zo lijkt Daniels vroomheid hem noodlottig te worden.

7. Leven in ballingschap
Tegelijk vertelt de tekst ook hoe men in een vreemde cultuur toch zichzelf kan blijven en trouw aan eigen godsdienst en principes. Daniel zet zich als wijs man in voor het bestuur van een land dat hem in ballingschap houdt. Hij is actief betrokken en zet zijn gaven in voor het land waar hij woont.
Daarnaast zorgt hij in het bijzonder dat er niets op hem aan te merken valt. Hij blijft ver weg van corruptie of slordig en ongeïnteresseerd gedrag (nalatigheid). Tegelijk houdt hij wel vast aan zijn eigen geloof en doet waar mogelijk wat hij wil doen, waaronder zijn driemaal daagse gebeden. Hij probeert bewust niet te provoceren en openlijk tegen de wetten van het land in te gaan. Het is dus niet zo dat hij kiest voor een soort martelaarschap. Integendeel, hij verbergt zijn gebeden zo goed mogelijk.

8. Darius als rechtvaardige onder de volkeren
Vanaf vers 15 richt de tekst zijn focus op koning Darius. De teksten vertellen veel meer dan alleen zijn sympathie voor Daniel.
a. hij is tot diep in zijn binnenste בָּ֖ל geroerd. Het woord correspondeert met het Hebreeuwse woord voor hart לב. Ook is hij nu het decreet niet meer te keren is totaal van slag. Hij eet niet, heeft geen zin in seks en vertier, en hij slaapt de hele nacht niet. Daarmee maakt de tekst duidelijk dat Darius echt is aangedaan.
b. hij wil Daniel ‘redden’ (שֵׁזָֽב). Een woord wat in totaal 7x voorkomt in Daniel, waarvan 4x hier in hoofdstuk 6 en 3x in hoofdstuk 3 waar Daniels vrienden in de vuuroven worden gegooid en hij spant zich in om Daniel te bevrijden ( נצל). Dit woord komt slechts 3x voor, 2x hier en 1x in hoofdstuk 3. Beide woorden worden aan het eind in vers 28 ook gebruikt voor wat de Eeuwige doet: hij redt en bevrijdt. Darius laat met deze actie zien dat hij beelddrager Gods is.
c. het aanbrengen van een steen op de opening (letterlijk de ‘mond’) van de kuil wordt door Rashi gelezen als een bescherming tegen de grootvorsten en satrapen. Zij kunnen zo niet bij hem komen om hem te vermoorden en vervolgens de schuld aan de leeuwen te geven. Feitelijk zijn zij natuurlijk de leeuwen, die hem willen verscheuren. De leeuw is niet voor niets een veel gebruikt beeld voor politieke macht en vorsten.
d. Darius belijdt in de tekst zelfs zijn geloof in de God van Daniel als hij Daniel een ‘dienaar van de levende God’ עֲבֵד֙ אֱלָהָ֣א חַיָּ֔א noemt. En later in zijn bevel opdracht geeft voor deze ‘levende God’ אֱלָהָ֣א חַיָּ֗א in ‘vrees en beven’ לֶהֱו‍ֹ֚ן זָיְעִין֙ וְדָ֣חֲלִ֔ין te zijn.
e. Het enige heftige en wrede aan Darius is wanneer hij tenslotte de tegenstanders van Daniel met hun zonen en vrouwen in de leeuwenkuil laat werpen. Ook in het gebruik van het woord ‘tegenstanders’ (letterlijk degene die ‘hun tanden קַרְצ֙וֹהִי֙ in hem gezet hebben’ vind je een verwijzing naar de leeuwen).
De Midrasj echter verontschuldigt Darius door te vertellen dat de vorsten en satrapen zeiden dat de leeuwen niet hongerig waren. Daarmee lieten ze hem geen keus.

Samenvattend zet de tekst Darius dus neer als een rechtvaardig man, die door de wetten van zijn rijk en de sluwheid van zijn bestuurders in het nauw wordt gebracht. Desalniettemin toont hij zich in alles een rechtvaardige. Het is van daaruit ook niet zo vreemd dat sommigen hem identificeren met koning Kores die de terugkeer naar Jeruzalem en de herbouw van de tempel mogelijk maakt.

Conclusie
De teksten vertellen op heel bijzondere wijze hoe een mens in een andere cultuur trouw kan blijven aan wie hij/zij is. Daniel is daarin voorbeeldig. Maar prachtig nuanceert de tekst ook het beeld van de machthebbers in den vreemde. Aan de ene kant het antisemitisme van de grootvorsten en satrapen; aan de ander kant het beeld van Darius als een rechtvaardige onder de volkeren.
Juist op Israelzondag is het goed om te beseffen dat wij onopgeefbaar verbonden zijn met Israël en het joodse volk en dat wij van hen ‘wijsheid’, ‘goede daden’ en ‘vroomheid’ leren, ook in moeilijke omstandigheden. En dat die wijsheid ons ook leert dat de wereld om ons heen niet alleen maar vijandig is, maar dat er ook velen zijn, ook onder de machthebbers, die een goed hart hebben en gerechtigheid hoog in het vaandel houden.