Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 19 juli 2020

Met wie wil je mij vergelijken?

Door Lieve Teugels

In de Joodse traditie is Jesaja 40 verbonden als haftara met de parasha Va’etchanan (Deut 3:23-7:11). De verzen uit Jesaja die nu aan de orde zijn getuigen van de grootsheid en macht van God, de Schepper. Hij wordt daarbij vergeleken met andere goden, of godenbeelden, die in het niets vallen bij Hem. De lezing eindigt met vers 25: “Met wie wil je mij vergelijken, zegt de Heilige, aan wie ben ik gelijk te stellen?” Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de rabbijnse exegese meermaals gelijkenissen, mesjaliem, verzen uit deze passage gebruiken. Vaak worden deze verzen daarbij als ondersteunde tekst gebruikt in midrasjiem op teksten uit Tanach, zoals Exodus 15:11, uit het beroemde Lied bij de Zee:
“Wie onder de goden is uw gelijke, Eeuwige?
Wie is uw gelijke, zo ontzagwekkend en heilig,
wie dwingt zo veel eerbied af met roemrijke daden,
wie anders verricht zulke wonderen?
Ik zal drie mesjaliem bespreken, uit verschillende periodes van de rabbijnse midrasj. Het gaat in alle drie de gevallen om contrast-gelijkenissen. Hierbij wordt God tegengesteld aan mensen, menselijke koningen of, zoals in Jes 40:12, andere goden.

De eerste masjal is te vinden in de Mechilta de rabbi Sjimon bar Jochai (3de E). De context is de interpretatie van Exod 15:11, hierboven geciteerd. Die tekst wordt in verband gebracht met de afzonderlijke verzen van Psalm 115:5-8, dat ook over de minderwaardigheid van afgoden gaat. Vers 7 is hier aan de orde: “Hun handen kunnen niet tasten.” Hiertegenover stelt de midrasj, in de vorm van een contrast-gelijkenis:
Maar degene die sprak, en de wereld ontstond, is niet zo.
Maar: “Eigenhandig heb ik de aarde gegrondvest, met mijn rechterhand de hemel ontvouwd” (Jes 48:13). En ook: “Mijn handen hebben de hemel uitgespannen” (Jes 45:12). En er is gezegd: “Wie heeft de wateren met holle hand omvat” (Jes 40:12).
De machtige “arm” van God wordt hier uitgelicht. Verzen uit de (deutero-) Jesaja worden ook onderling met elkaar in dialoog gebracht in deze korte masjal. De macht van God, in tegenstelling tot de afgoden – wiens verering altijd op de loer lag – worden door de profeet ingeroepen, niet om Israël te straffen, zoals al was gebeurd met de ballingschap waarin ze zich bevonden, maar om hen ervan te verzekeren dat diezelfde machtige God hen zal troosten (Jes 40:1) en uiteindelijk ook weer zal verlossen.

Een tweede masjal vinden we in Exodus Rabba (ong. 10de E) in een midrasj op Exod 16:4: “Ik zal voor jullie brood uit de hemel laten regenen.” Ook hier wordt eerst een Psalm-vers geciteerd: “Gul is uw hand geopend, u vervult het verlangen van alles wat leeft” (Ps 145:16). De hand en de regen komen samen in de combinatie van deze twee verzen. De masjal contrasteert God met een mens “van vlees en bloed,” een stereotiepe formulering in rabbijnse gelijkenissen.
Zie hoe de maat van de Heilige, Hij zij geprezen, niet is als de maat van vlees en bloed. Zo lang de spons in diens hand is, en hij houdt zijn hand open, komt er geen druppel uit, maar als hij zijn hand dichtknijpt, komt er water uit. Maar bij de Heilige, Hij zij geprezen, is het niet zo. De spons is in zijn hand, zoals er gezegd is: “vol water staat de rivier van God” (Ps 65:10) en “Wie heeft de wateren met holle hand omvat” (Jes 40:12), maar als Hij die sluit, komt er geen water meer uit, zoals gezegd is: “God bedwingt de wateren, en stromen vallen droog” (Job 12:15) en “Hij zal de hemel sluiten. Er zal geen regen meer vallen” (Deut 11:17). Als Hij zijn hand opent, valt de regen neer, zoals gezegd is: “De Eeuwige zal de rijk gevulde schatkamer van de hemel openen om uw akkers op de juiste tijd regen te geven” (Deut 28:12).
Een keten van verzen uit de Tenach getuigt van de macht van Gods hand, die water, en dus leven, geeft en neemt.

Een laatste masjal stelt de macht van God tegenover die van een aardse koning, nog een stereotiepe figuur van de rabbijnse gelijkenis. Deze vinden we in de tiende eeuwse Midrasj Aggadat Beresjiet, hst. 21. Hier worden, naast vers 12, ook 13-14 van Jesaja 40 ingeroepen: “Wie heeft de geest van de de Eeuwige gemeten? Heeft iemand hem ooit raad gegeven? Wie raadpleegt hij, wie biedt hem inzicht?” Uit de retorische vragen moet blijken dat God geen raadgever nodig heeft. In de midrasj, waar bijbelse retoriek vaak bewust wordt genegeerd, vinden we echter een antwoord op de vraag: God had wel degelijk een raadgever, namelijk Abraham! En in tegenstelling tot menselijke koningen, heeft Hij zelfs naar zijn raadgever geluisterd. Ook hier komt een centraal vers weer uit de Psalmen, ditmaal Ps 110, dat in de Joodse traditie op Abraham wordt toegepast. Met name in Aggadat Beresjiet, dat vermoedelijk in Italië is ontstaan, speelt hier zeker de context van dialoog (om het vriendelijk te zeggen) met de Christelijke interpretatie van het vers mee.
“De Eeuwige spreekt tot mijn heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand’” (Ps 110:1)
Is het mogelijk dat de Heilige, Hij zij geprezen, te rade gaat bij vlees en bloed? (…)Hij schiep de hele wereld zonder raad te nemen, zoals geschreven is: “Wie heeft de wateren met holle hand omvat” (Jes 40:12). Maar wat is er daarna geschreven? “Wie heeft de geest van de Eeuwige gemeten? Heeft iemand hem ooit raad gegeven?” (v. 13). De hele wereld heb ik geschapen, maar “Wie raadpleegt Hij, wie biedt hem inzicht?” (v.14). Ik noem Abraham mijn raadsheer. Waarom?
De midrasj vervolgt met een gelijkenis van een ”koning van vlees en bloed” die een veld cadeau doet aan een onderdaan, maar daarna het veld verbrandt. De onderdaan beschuldigt de koning terecht van trouweloosheid. “Zo is het niet met God”, zegt de masjal: Hij gaf de hele wereld als een cadeau aan Abraham (met verwijzing naar Gen 13:17). Dus God denkt twee keer na.
“Als Ik dan vijf steden wil uitroeien, zal ik dan niet te rade gaan bij Abraham. Die zal zeggen: “Hij heeft zich bedacht over het cadeau dat Hij me gegeven heeft!” Daarom ga ik te rade bij hem, zoals gezegd is: “Waarom zou ik voor Abraham geheimhouden wat ik van plan ben?” (Gen 18:17). Daarom zette Hij hem aan zijn rechterhand, zodat hij zijn raadsheer kon zijn. Zo is er geschreven: “De Eeuwige spreekt tot mijn heer: ‘Neem plaats aan mijn rechterhand’” (Ps 110:1)

De retorische vragen in dit stuk van Jesaja 40 zijn wellicht de reden waarom het hoofdstuk als haftara is verbonden met parasjat Va’etchanan. Ook daar vinden we dergelijke vragen, waarvan het troostende en beloftevolle antwoord al in de vraag aanwezig is:
Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep, en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen: is zoiets geweldigs ooit voorgekomen, heeft men ooit iets dergelijks vernomen? Is er ooit een volk geweest dat net als u vanuit een vuur de stem van een god heeft gehoord en dat heeft overleefd? Is er ooit een god geweest die het heeft aangedurfd zich een volk toe te eigenen waarover een ander volk macht uitoefende, en die dat deed met grootse daden, met tekenen en wonderen en felle strijd, met sterke hand en opgeheven arm, en op angstaanjagende wijze – zoals u met eigen ogen de HEER, uw God, in Egypte hebt zien doen? (Deut 4:32-34)