Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 14 juni 2020

Water uit de bron


door Dineke Houtman


Jesaja 12 is een prachtig loflied over bevrijding na onheil. De Bijbeltekst is kort over het onheil. Vers 1 zegt: “U bent woedend op mij geweest, maar uw toorn is geweken”, de reden voor Gods boosheid wordt in dit vers niet genoemd. De Targoem geeft daarom een uitbreiding: “Ik belijd voor u HEER dat uw woede me trof omdat ik gezondigd had tegen u. Nu keert uw woede zich af van mij en bekommert u zich weer over mij.” De Targoemtekst in de rabbijnenbijbels heeft hier een kleine maar niet onbelangrijke tekstvariant, die leest “nu ik ben teruggekeerd tot de Tora keert uw woede zich van me af (etc.)” De redacteur van die tekstversie vond het blijkbaar belangrijk te benadrukken dat het niet gewoon een kwestie is van de straf uitzitten, er moet ook een actieve bekering plaatsvinden. De schuldbelijdenis is gebaseerd op het werkwoord ידה dat zowel ‘loven’ als `belijden/bekennen’ kan betekenen. De meeste bijbelvertalingen kiezen voor de betekenis van ‘loven’, maar ‘belijden/bekennen’ kan ook. Rasji bouwt daarop voort en werkt nog verder uit hoe Gods woede zich uitte en hoe de verzoening tot stand kwam: “U verbande mij, en mijn ballingschap bewerkte verzoening voor me. Nu is mijn overtreding weer goed gemaakt. Wend uw woede van me af en troost me.” 

Vers drie schetst de ideale situatie na de verlossing: “Vol vreugde zullen jullie water putten uit de bron van de redding.” De Targoem legt de metafoor uit: “Jullie zullen met vreugde een nieuwe onderwijzing ontvangen van de rechtvaardige uitverkorenen.” Rasji sluit hier, evenals in vers 1, aan bij de Targoem. Hij schrijft: “Want hun hart is verruimd door de redding die ze ontvingen. Geheimen van de Tora die door de problemen in de ballingschap in vergetelheid waren geraakt worden opnieuw aan ze geopenbaard.” Die onderwijzing is dus niet een nieuwe leer, maar een herontdekking van de oude openbaring. De Tora, een bron vol levend water dat rechtstreeks afkomstig is van de Allerhoogste, wordt opnieuw aangeboord. Het beeld van God als bron waaruit het volk mag drinken komt al in de Bijbel zelf voor. God zegt bij monde van Jeremia in Jer. 2:13 “Twee wandaden heeft mijn volk begaan: het heeft mij verlaten, de bron van levend water, en het heeft waterkelders uitgehouwen, kelders vol scheuren, waarin het water niet blijft staan.” Het beeld van de onderwijzing van God, de Tora, als dorstlessend water, komt regelmatig voor in de Targoems. In Targoem Jesaja komt het, naast onze tekst uit vers 12:3, ook voor in 32:6, 41:17 en 55:1. Ook de evangelisten gebruiken het beeld van de waterbron, bijv. Johannes in het verhaal van Jezus in gesprek met een Samaritaanse vrouw in Joh. 4:14 “Wie het water drinkt dat ik hem geef zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik hem geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.” Het geheim van het water uit de bron is dat het levend water is, het blijft vers en raakt nooit op. Voor iedere tijd en generatie is er vers, levengevend water beschikbaar. Volgens de lezing in de Targoem zijn er echter wel goede leraren nodig, ‘rechtvaardige uitverkorenen’, die de bron kunnen ontsluiten.

De rest van het hoofdstuk bevat een aantal klassieke elementen van lofliederen na uitredding, bijv. de Psalmverzen 105:1, 118:14 en 148:13.