Joods-Christelijke Dialoog

Zondag 14 augustus 2022

‘Mijn woord: hamer op de rots’

Door Tineke de Lange

Nadat Jeremia in 23:1-8 de leiders van Juda onder kritiek gesteld heeft, zijn in 23:9-40 de profeten aan de beurt. Deze tekst lijkt fragmentarisch en wisselt van poëzie en proza, maar de teneur is glashelder: de profeten van Jeruzalem zijn net als hun voorgangers in Samaria (23:13.27) valse profeten, die het volk misleiden en zich ten onrechte beroepen op visioenen en dromen van Godswege.
De perikoop van vandaag bestaat uit twee blokjes poëzie (vv. 23-24 en 28-29) met daartussen een aantal verzen in proza over de leugenachtigheid van de profeten (vv. 25-28c). De twee blokjes poëzie die de kritiek op profeten omringen bestaan beide uit retorische vragen. Vers 23-24 verkondigt dat God overal is: hij is na nabij én veraf, in de hemel én op aarde. Wie denkt zich te kunnen verbergen wordt door hem gezien – zoals de tegenstribbelende Jona in het boek van die naam ondervindt. De woorden en daden van de leugenprofeten in Jeremia 23 ontgaan de Eeuwige niet.

Het kernbegrip in vers 25-28 is ‘droom’. Door hard te roepen (v. 25) dat ze een droom gehad hebben – een fraai stukje satire! – maken de Jeruzalemmer profeten zichzelf, elkaar en het volk wijs dat ze spreken namens de Eeuwige. In de Bijbel is de droom inderdaad een manier waarop God met zijn profeten communiceert, maar men is zich ook bewust van mogelijke manipulatie met droomuitleg. In Deuteronomium 13,2-7 bijvoorbeeld klinkt een waarschuwing tegen profeten en ‘dromers’ die hun ‘tekens’ gebruiken om het volk aan te zetten tot afgodendienst. Reserves van een andere orde vinden we in Numeri 12,6. Daar worden ‘droom’ en ‘gezicht’ genoemd als manieren waarop de Eeuwige zich bekend maakt aan profeten, maar laat de Eeuwige tegelijk weten dat hij met Mozes, zijn dienaar bij uitstek, spreekt ‘van mond tot mond’ (Num. 12,7-8). De Eeuwige maakt op grond van diens betrouwbaarheid (ne’èman hu’) onderscheid tussen de Mozes enerzijds en andere profeten anderzijds.
De thematieken uit Deuteronomium 13 en Numeri 12 komen in het boek Jeremia verscherpt naar voren. Jeremia, de profeet die met heel zijn wezen bevangen is door de Eeuwige, door Zijn ‘heilige woorden’ (23,1), staat tegenover het soort profeten waar Deuteronomium 13 voor waarschuwt: profeten die zich beroepen op visioenen die van henzelf komen en niet van de Eeuwige (23,16) en die hun eigen dromen verkopen als dromen van Godswege (v. 28). Die dromen zijn zelfs bedoeld om het volk de naam van de Eeuwige te laten vergeten en het te leiden naar Baäl (v. 27). Ook uit andere plaatsen in het boek Jeremia waar sprake is van dromen en dromers (27,9 en 29,8) blijkt dat de profeet beducht is voor het misbruik van dit openbaringsmedium, in het bijzonder als afgodendienst in het spel is.

De aanklacht tegen de leugenachtigheid van de profeten eindigt in 23,28ab met een spreuk. NBV2021 vertaalt deze aldus:
Een profeet die droomt
vertelt niet meer dan een droom
maar wie mijn woorden kent
geeft mijn woorden betrouwbaar (‘èmet) weer.
In de Naardense vertaling is het contrast tussen ‘droom’ en ‘woord’ minder scherp. De metafoor van kaf en koren (v. 28cd) wordt (net als in de Willibrordvertaling 1975 en 1995) gezien als onmiddellijke voortzetting van de spreuk:
De profeet
die een droom bij zich heeft
vertelle zijn droom,
en als mijn woord bij hem is,
spreke hij mijn woord naar waarheid;
wat heeft het kaf met het koren?-
is de tijding van de Ene.

De droom wordt in Jeremia 23,28 als openbaringsmedium niet afgeschreven, maar de betrouwbaarheid ervan wordt niet gegarandeerd. Wie kan zeggen of een droom geen wensdroom van de dromer is? Een openbaringswoord is zeker van de Eeuwige. Het moet echter wel getrouw verkondigd worden door een betrouwbare profeet, een profeet als Mozes of Jeremia. Een woord dat niet vervalst wordt, is als kaf: het heeft geen voedingswaarde, geen kracht (Job 41,19) en verwaait met de wind (Job 21,18).
De kracht van het Godswoord blijkt in vers 29 uit de vergelijking met het vuur en met een hamer die een rots verbrijzelt. Het beeld van Gods woord als een vuur vinden we in een vergelijkbare context - kritiek op de profeten van Jeruzalem – al Jeremia 5,14 en 20,9. Het beeld van de hamer staat krijgt een vervolg in de aanklachten in Jeremia 23,30-40. De straf voor hun misleidende praatjes zal de profeten van Jeruzalem met de kracht van een mokerslag treffen.