Joods-Christelijke Dialoog

Jesaja 52:1-7 en de Babylonische Ballingschap: een ‘geluk bij een ongeluk’

door Paul Gabriner

(Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.)

i.
• ‘1. Ontwaak, ontwaak,
• bekleed u met uw kracht, Sion,
• trek uw mooiste kleren aan,
• Jeruzalem, heilige stad!
• Want voortaan zal in u
• geen onbesnedene of onreine meer komen.
• 2. Schud het stof van u af, sta op,
• zet u neer, Jeruzalem,
• maak de ketenen om uw hals los,
• gevangene, dochter van Sion!
3. Want zo zegt de HEERE: Voor niets bent u verkocht, u zult ook zonder geld worden verlost.
4. Want zo zegt de Heere HEERE: Vroeger daalde Mijn volk af naar Egypte om daar als vreemdeling te verblijven, en Assyrië heeft het zonder oorzaak onderdrukt.
5. En nu, wat staat Mij hier te doen? spreekt de HEERE. Want Mijn volk is voor niets weggevoerd, zijn overheersers doen het weeklagen, spreekt de HEERE, en voortdurend, heel de dag, wordt Mijn Naam gelasterd.
6. Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben Die spreekt: Zie, hier ben Ik.
• 7. Hoe lieflijk zijn op de bergen
• de voeten van hem die het goede boodschapt,
• die vrede laat horen, die een goede boodschap brengt van het goede,
• die heil laat horen,
• die tegen Sion zegt:
• Uw God is Koning.’

De auteur van deze verzen is niet Jesaja, maar Deutero-Jesaja, een anonieme profeet die bijna twee eeuwen later als één van de bannelingen in Babylon leefde, omstreeks 550 v.o.j. Zijn schrijven kwam terecht samen met die van proto-Jesaja en andere, anonieme schrijvers in één profetisch boek dat wij nu kennen als Jesaja.

De achtergrond voor deze verzen is vrij simpel: de Perzische koning, Cyrus, die niet lang hiervoor Babylon veroverd had, liet de Joodse bannelingen weten dat zij binnenkort terug mochten keren naar Jeruzalem. Maar velen van hen waren niet zo enthousiast. Ze waren geen slaven in Babylon geweest, zoals lang daarvoor wel het geval was geweest in Egypte. Integendeel, ze hadden het in het algemeen heel goed als boeren en middenstanders, hadden overal gemeenschappen gesticht en sommigen van hen hadden zelfs op weten te klimmen tot de hoogste kringen van de samenleving (zie verder ‘How Bad was the Babylonian Exile’ in de ‘Bible History Daily’ van de Biblical Archeology Society , March 2, 2021).

De bannelingen hadden na al hun investeringen van tijd, arbeid en geld weinig zin om alles wat ze in vijftig jaar opgebouwd hadden zomaar weg te gooien voor een gevaarlijke tocht te voet van rond de 1000 kilometer door de Syrische woestijn om Jeruzalem te kunnen bereiken! En welke zekerheden had een toekomst voor hen daar in petto? Als men inging op de toestemming van Cyrus, die Deutero-Jesaja overigens ook nog hun ‘Messias’ had genoemd (45:1), zou dat dan niet betekenen dat men z’n veiligheid zou inruilen voor een groot vraagteken?

Er komt nog bij dat velen zich in Babylon door God in de steek gelaten voelden. Niet iedereen kon het argument van de geestelijk leiders accepteren dat ze indertijd zo zondig waren geweest, dat God niets anders kon doen dan zo’n straf als verbanning uit te delen! Waar was Zijn barmhartigheid? Ontfermde Hij zich wel echt over hun lot?
Het idee dat ook zij een belangrijk deel van het ‘Uitverkoren Volk’ uitmaakten, dat ze nog steeds in een verbondsrelatie met God stonden en nog steeds een historische missie hadden (een missie die alleen in het ‘Beloofde Land’ vervuld kon worden), dat alles was door de vele jaren in Babylonië danig vervaagd. Sommigen hadden zelfs hun Godsbesef verloren!
Omdat de ballingschap tegen de tijd dat de bevrijding naderde al meer dan vijftig jaar aan de gang was, was de meerderheid van de bannelingen intussen in Babylonië zelf geboren, waardoor ze geen eigen herinneringen aan Jeruzalem konden hebben. Haar naam en roem was voor hen een overgeleverde mythe! Het bekende vers uit Psalm 137:1, ‘aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten’ had betrekking op hun grootouders in de eerste weken, maanden en misschien jaren van de ballingschap, maar al lang niet meer op hen!
Deutero-Jesaja had een enorme taak voor zich, zijn collega profeet, Ezechiël, die ook in ballingschap vertoefde, eveneens. Die taak had alles te maken met hoe zij meenden dat ze de huidige onverschilligheid van de ballingen toch konden doorbreken. De meeste mensen denken nog steeds dat het werk van een profeet te maken heeft met zijn vermogen om in de toekomst te kijken. Dat is immers de betekenis van het woord ‘profeet’? Echter in het Hebreeuws wordt het woord Navi gebruikt, dat is iemand die door God gekozen is om Zijn woord onder de mensen van nu op de meest indringende wijze te verspreiden.

De profeten hadden alleen hun stem, hun taalmeesterschap, hun verbeeldingskracht, de voorbeelden van hun eigen levens en hun Godsbesef als inspirerend gereedschap. Ezechiël probeerde het met zijn majestueuze visie van de vallei van de droge botten die op miraculeuze wijze toch weer tot leven opgewekt konden worden in 37:1-14 van zijn eigen boek, een visie waarvan je de overtuigingskracht nog steeds kan voelen, nu 2500 eeuwen later!

Vanaf hoofdstuk 40 van het boek Jesaja probeerde Deutero-Jesaja op zijn eigen manier troost te brengen, Gods vergiffenis te prediken, het Verbondsidee nieuwe leven in te blazen en een glorieuze toekomst voor de bannelingen in een herbouwd Jeruzalem gestalte te geven, waar men met een ‘nieuw’ hart een innige relatie met God kon verwachten, inniger dan ooit tevoren!

Maar deze visie is alleen maar een rhetorisch middel om de bannelingen van nu wakker te maken, moed in te spreken en in beweging te krijgen. Zijn toekomstvisie staat dus volledig in dienst van zijn huidige taak.

In 52:1-7 lijkt hij geïnspireerd te zijn door een metafoor uit hoofdstuk 16 van Ezechiëls boek, waarin Jeruzalem, symbool voor het volk Israël, voorgesteld wordt als de bruid van God, die echter ontrouw is aan haar echtgenoot en zich door Jan en alleman seksueel laat gebruiken. Ezechiël vervolgt dan zijn verhaal met dat die episode in haar leven nu voorbij is, dat ze gelouterd en berouwvol is over haar gedrag, en dat God haar nu volledig heeft vergeven en wil dat zij bij hem terugkeert. Aan het eind van hoofdstuk 16 spreekt Ezechiëls God Jeruzalem aan:

‘Dit zegt God, de HEER: Door je niet te houden aan ons verbond heb je je eed gebroken, en daarom zal ik je behandelen zoals je verdient. Toch zal ik aan dat verbond blijven denken, het verbond dat ik met je gesloten heb in de dagen dat je nog jong was. Daarom zal ik nu een verbond met je sluiten dat eeuwig zal duren. Als je grote en je kleine zusters weer bij je komen, zul je over je gedrag nadenken en je ervoor schamen. Je zult ze van mij als dochters krijgen, al maken zij van het verbond geen deel uit. Als ik mijn verbond met jou heb gesloten, zul je beseffen dat ik de HEER ben en overdenken wat je gedaan hebt; je zult je schamen, en zwijgen omdat je vernederd bent – maar ik vergeef je alles wat je hebt gedaan. Zo spreekt God, de HEER.’ (16:59-63)

Deutero-Jesaja lijkt deze seksuele metafoor in het begin van hoofdstuk 52 over te nemen door de bannelingen op te roepen om zich (decent) aan te kleden, met de belofte dat onbesneden mannen (b v. Babyloniers of andere niet-Joodse mogendheden) niet meer haar lichaam binnen zullen dringen:
• ‘1. Ontwaak, ontwaak,
• bekleed u met uw kracht, Sion,
• trek uw mooiste kleren aan,
• Jeruzalem, heilige stad!
• Want voortaan zal in u
• geen onbesnedene of onreine meer komen.’

De kracht van de hele passage wordt mede opgewekt door de zeer sterke concentratie imperatieven: ontwaak, ontwaak enz. (zie ook 52:11, Weg! Ga weg! Ga daar weg!), maar ook door bekleed, trek aan, schud af, sta op, zet u neer en maak los.

Toch waren Deutero-Jesaja en Ezechiël alleen maar gedeeltelijk succesvol in hun onvermoeibare pogingen om de bannelingen richting Jeruzalem te krijgen. Alleen een minderheid keerde terug, terwijl de meeste bannelingen gewoon bleven. Behalve de episode van anti-semitisme die het hoofdthema vormt van het Boek Esther, een episode die zich zeventig jaar later zou hebben afgespeeld onder het Perzische bewind, was hun verblijf in Babylonië lang en vreedzaam.

Hun leiders zorgden ervoor dat de Joden hun religie bleven uitoefenen en in de loop der tijd kwamen er ook befaamde studiehuizen en rabbijnen uit hun midden voort. De belangrijkste was zonder twijfel Hillel de Oudere (110 v.o.j. - 10 n.o.j.), die als jonge man de lange reis van Babylonië naar Jeruzalem maakte. Daar stichtte hij een eigen leerschool die een humane interpretatie van de Thora voorstond in tegenstelling tot die van zijn opponent Shammai, voor wie alleen de letter van de wet heilig was. Na hun beider dood hebben de volgelingen van Shammai, die wij als de Farizeeërs kennen, een waar schrikbewind uitgeoefend op het Joodse leven in de tijd van Jezus. Hillels volgelingen, die net zo goed Farizeeërs waren, hielden zich koest, behalve Jezus, die de enige was die de Farizeeërs van de school van Shammai uitdaagde met de Thora-filosofie die hij van Hillel had overgenomen.

Zowel de leer als het voorbeeld van Jezus doet ons sterk denken over wat wij van Hillel weten. Hillel zei

‘Oordeel niet over uw medemens totdat u in zijn plaats komt.’
Tekenend van Hillels invloed op Jezus is ook het volgende verhaal:

‘Hillel stond op een dag in de poort van Jeruzalem en zag de mensen op weg naar hun werk. 'Hoeveel,' vroeg hij, 'ga je vandaag verdienen?' De een zei: "Een denarius"; de tweede: "Twee denarii." 'Wat ga je met het geld doen?' vroeg hij. "We zullen voorzien in de levensbehoeften." Toen zei hij tegen hen: "Zou je niet liever komen en de Thora in je bezit nemen, zodat je zowel deze als de toekomstige wereld mag bezitten?’

(zie verder Harvey Falk, Jesus the Pharisee: A New Look at the Jewishness of Jesus (2003) en James H. Charlesworth en Loren L. Johns, eds. Hillel and Jesus: A Comparison of Two Religious Leaders, 1997).

Het is dus geen verassing dat de enige Jood van aanzien die bereid was de vroegste Christenen in het openbaar te verdedigen Rabbijn Gamaliël de Oudere was, de kleinzoon van Hillel (zie Handelingen 5:24-42).

Even belangrijk is het feit dat de leerscholen in Babylonië., zoals die van Sura en Pembetida, over vele honderden jaren uitgroeiden tot de belangrijkste centra van Thorastudie in de wereld van toen. Na de dood van Jezus zou het de bakermat worden van de Talmoed, een compendium van de oeverloze discussies tussen de rabbijnen over hoe de Thora het beste begrepen kon worden, soms ook wel de Mondeling Wet genoemd. Deze werd in de loop van drie eeuwen (tussen de 3rde en 6e eeuw n.o.j.) samengesteld, en daaruit is de huidige wetgeving van het Jodendom, de Halacha, gedistilleerd.
Van de twee, is de Talmoed nog machtiger dan de Thora zelf, want het wordt gebruikt om de Thora te duiden en niet andersom. Het hele moderne Jodendom komt uit de Thora via de lens van de Babylonische Talmoed.

Het is dus de Babylonische Talmoed (er is ook een Jeruzalem Talmoed) en niet de Thora zelf, die dag en nacht bestudeerd wordt door vrome Joden in yeshivot (Joodse studiehuizen) overal ter wereld. De invloed van de Talmoed op de Thora is bijna altijd humaniserend geweest. Waar de Thora bv. de doodstraf eist voor wel achttien verschillende delicten, maakt de Talmoed het haast onmogelijk om tot een dergelijk doodsvonnis te komen door zestien beperkende kwalificaties aan het door de Thora vereiste minimum van twee getuigen op te leggen.

Het resultaat hiervan is dat het Jodendom de doodstraf al 2000
jaar geleden heeft uitgerangeerd, terwijl de laatste voltrekking van een doodstraf in vredestijd in Nederland nog in 1860 plaatsvond.

Maar het algemeen humaniserende effect van de Babylonische Talmoed op de manier waarop de Thora begrepen werd, getuige de Joodse verbanning van de doodstraf, is ook een indirect resultaat van het feit dat zoveel van de bannelingen geen gehoor gaven aan de pogingen van zowel Deutero-Jesaja als Ezechiël om ze en masse naar Jeruzalem terug te krijgen!

Zouden wij niet om die reden moeten zeggen dat het falen van Deutero-Jesaja en Ezechiël om de meerderheid van de bannelingen huiswaarts te krijgen eigenlijk een ‘blessing in disguise’ was, een geluk bij een ongeluk?

Toen de Babylonische Joden uiteindelijk in 1948 gedwongen werden door de moderne staat Irak om naar de nieuwe Joodse staat Israël te emigreren, was het op dat moment de oudste ononderbroken Joodse gemeenschap in de wereld, wel 2500 jaar oud!

ii.

In Jesaja 52:6 probeert Deutero-Jesaja de bannelingen aan zowel Abraham als Mozes te laten denken door hun beroemde uitlating, Hineni (‘hier ben ik’), te gebruiken in Gods uitnodiging aan hen. Toen Abraham door God geroepen werd om Izaäk te offeren, was diens antwoord kort een krachtig, Hineni, ‘Hier ben ik!’ (Gen. 22:1). En dat is precies hetzelfde antwoord dat Mozes aan God gaf toen Hij hem riep vanuit de Brandende Braamstruik (Ex. 3:4), Hineni, ‘Hier ben ik!’

In Jesaja 52:6 laat Deutero-Jesaja God precies hetzelfde zeggen tegen de bannelingen:

‘Daarom zal Mijn volk Mijn Naam kennen; daarom, op die dag, zal het weten dat Ik het Zelf ben die spreekt: “Zie, Hineni, hier ben Ik”.’

Wat meer kon Deutero-Jesaja God laten zegen? Net als Abraham en Mozes destijds voor Hem klaar stonden, nu staat Hij klaar! Hij treedt de bannelingen tegemoet, Hij wacht, met open armen, op hun terugkeer naar Zijn heilige stad, Jeruzalem, Hij wil Zijn verbond met ze daar voortzetten!

Maar, zoals gezegd, het mocht slechts gedeeltelijk baten. In de wijze woorden van Spreuken 16:9, ‘Het hart van een mens overdenkt zijn weg, maar de HEERE bestuurt zijn voetstappen.’