Joods-Christelijke Dialoog

Deze bijdrage van Lukas de Groote verscheen eerder in Stethoscoop op Genesis, uitgegeven door de stichting Amphora Books, 2010.

Het tuinverhaal.

Vers 4: Dit zijn de voortbrengselen van de hemel en de aarde toen zij gesplitst werden op een dag toen de Eeuwige, God, de aarde en de hemel gemaakt had.
Dit vers begint zonder verbindend voegwoord ‘en’. Dit duidt erop dat hier een scheiding bestaat met het voorafgaande. Velen zijn echter van mening dat vers 4 een postscriptum is van wat voorafgaat. Met Genesis 1:1 zou het een inclusio vormen. De meeste commentatoren menen, met Cassuto en Jacob, dat dit vers het opschrift is boven wat volgt in Genesis 2-4.
Een derde mogelijkheid is dat de schrijver het zowel als afsluiting van het eerste ‘scheppings’verhaal bedoeld heeft en tegelijk als begin van het tweede ‘scheppings’verhaal. In het Joodse denken is het veelmeer én-én terwijl het Griekse denken meer gekenmerkt is door of- òf.
Voortbrengselen: Toledot, voortgebrachten. Zie het artikel ‘Toledot’.
Maken, doen: het ‘scheppen/splitsen’ van hemel en aarde is in Genesis 1:1 besproken voordat er sprake was van de eerste dag (eigenlijk: dag één). De uitdrukking ‘de dag van het maken’ slaat dus niet op de ‘schepping/splitsing’ van hemel en aarde maar op een latere dag. Mogelijk is elke werkdag wel bedoeld.
Splitsen en maken: beide werkwoorden komen 7 x voor in Genesis 1:1 – 2:4a. Deze aantallen pleiten ervoor dat vers 4a het slotvers is van het eerste hoofdstuk.
Aarde en hemel: deze volgorde is opmerkelijk. De Samaritaanse Pentateuch en Pesjitta (de Arameese vertaling van Tenach) hebben de gewone volgorde ‘hemel en aarde’. Mogelijk dat de schrijver bedoelt dat vanaf dit moment de aarde op de eerste plaats komt, want dat wordt de woonplaats voor de mens. De hemel is meer Gods domein en voor de mens komt deze op de tweede plaats.

Door de Masoretische tekst aan te houden blijkt er in vers 4 een fraai parallellisme te bestaan:
- Hemel
o Aarde
 Scheppen
 Maken
o Aarde
- Hemel

Het verhaal van de tuin: (Genesis 2 en 3)
Het nu volgende verhaal, dat van de tuin, kent vele parallellen in de oudoosterse literatuur. Ook zijn er overeenkomsten te vinden tussen wat hier beschreven is en wat in andere oude verhalen ons verteld wordt. In de Soemerische traditie is sprake van een paradijselijk eiland in de Perzische golf dat bevochtigd wordt door levengevend water uit de aardboden. In de Oegaritische literatuur wordt verteld dat de godheid woont bij de bronnen van twee rivieren te midden van twee oceanen. Het Gilgamesj epos spreekt over een slang die de levengevende plant opeet. Zowel Egyptische als Mesopotamische bronnen zeggen dat de mens uit klei gevormd is. In Mesopotamische geschriften wordt benadrukt dat de goden de mens laten werken en zelf rusten. In het Genesisverhaal is het God die zelf werkt tot de mens van alles voorzien is. Dit laatste, dat een godheid zich inspant voor de mens, is bij andere volken een absurditeit. Het is één van de grote verschillen tussen de wijze waarop de God van de bijbel met mensen omgaat en de manier waarop andere goden dat doen.


Onderverdeling van Genesis 2:5-3:24.

Verhaal hoofdpersoon bijfiguren passief

A 2:5-17 verhalend God man
B 2:18-25 verhalend God man vrouw+dieren
C 3:1-5 dialoog slang + vrouw
D 3:6-8 verhalend man + vrouw
C’ 3:9-13 dialoog God + man + vrouw
B’ 3:14-21 verhalend God man vrouw+slang
A’ 3:22-24 verhalend God man


Vers 5: En alle planten van het veld waren nog niet op de aarde en alle kruid van het veld was nog niet ontsproten. Want de Eeuwige, God, had het nog niet laten regenen op de aarde. En een mens was er niet om de akker te bewerken.
Veld: met dit woord wordt onontgonnen land bedoeld, het gebied van wilde dieren en planten. Zie bijvoorbeeld Genesis 2:19,20; 3:1,14,18. Dit is ook het gebied waar men de schapen en geiten weidt. Zie hiervoor Genesis 4:8.
Aarde: met dit woord wordt zowel de ‘aarde’ als geheel bedoeld, maar tegelijk ook het land Israel. Het land Israel is als het ware de aarde in het klein, een soort proeftuin van de Eeuwige.
Kruid: met dit woord worden met name eetbare planten aangeduid.
Ontspruiten: uitspruiten, tot groei komen.
De Eeuwige, God: nadat in Genesis 1 als aanduiding voor God alleen de naam ‘Elohim’ gebruikt is past de schrijver in het tuinverhaal de combinatie van de twee bekendste godsnamen toe: JHWH + Elohim. Door mij worden deze namen weergegeven met ‘Eeuwige’ respectievelijk ‘God’. De schrijver wil hier mogelijk mee te kennen geven dat Elohim uit Genesis 1 dezelfde is als JHWH, de naam die verreweg het meest voorkomt in Tenach. Het zijn twee aanduidingen voor God maar er worden beslist niet verschillende personen mee bedoeld.
Akker, grond: adama. Met dit woord wordt bouwland aangeduid, de grond waarmee geploeterd wordt, maar waarmee men ook sterk verbonden is. Het is de vrouwelijk vorm van het woord voor mens ‘adam’. Na zijn familierelaties is de verbondenheid met zijn grond de sterkste band die de mens kent.
Bewerken: hetzelfde woord als ‘dienen’, ‘werken’, ‘slaaf zijn’.

Vers 6: *En overstroming kwam op uit de aarde en had heel het oppervlak van de grond gedrenkt.
Overstroming: meestal wordt dit woord vertaald met ‘damp’. Zie het artikel ‘Overstroming’.
Opkomen: omdat hier een ‘voltooid verleden tijd’ gebruikt wordt kan men lezen dat een langere duur of herhaling bedoeld is. Ook dit past bij het bevloeien van het land door rivierwater.
N.B.: Bij de werkwoordsvormen in het Hebreeuws kan men niet spreken van ‘tijden’. Met de verschillende vervoegingen van het werkwoord zijn andere ‘modaliteiten’ bedoeld bijvoorbeeld of een handeling begint of voortduurt.
Drenken: ook deze werkwoordsvorm geeft een voortduren of herhaling aan.

Vers 7: En de Eeuwige, God, vormde de mens van stof van de grond. En hij blies in zijn neusgaten levensadem. En de mens werd tot levend wezen.
Vormen: met dit woord wordt bedoeld iets zorgvuldig vervaardigen. Het opvallende aan de schrijfwijze van dit woord hier is dat er een letter ‘jod’ teveel staat. Als in vers 19 sprake is van de dieren staat deze extra jod er niet. De rabbijnse uitleg is dat hier al sprake is van dualisme in de mens. De mens bestaat uit een geestelijke en lichamelijke kant, hij heeft een goede en een kwade neiging, hij is mannelijk en vrouwelijk, dominant en passief.
Mens en grond: deze woorden zijn de mannelijk en vrouwelijk vorm van hetzelfde woord: adam respectievelijk adama. Etymologisch is er waarschijnlijk geen verband tussen beiden. Ook wordt wel gedacht dat er een verband is met het woord ‘edom’ dat ‘rood’ betekent. Ook dit lijkt niet het geval te zijn. De schrijver van Genesis past vaak woordspelingen toe: paronomasie.
Benno Jacob zegt: de grond is de wieg, het huis en het graf van de mens.
Stof: in veel andere oudoosterse verhalen komt men ditzelfde tegen: dat de mens uit stof gevormd is.
Blazen: beademen. Zoals een hulpverlener bij een reanimatie het slachtoffer beademt en zijn eigen uitademingslucht gebruikt om het slachtoffer zuurstof te geven. Dit zelfde woord wordt gebruikt in Ezechiël 37:9 als de dorre doodsbeenderen bijeengevoegd zijn en tot lichamen gemaakt zijn en er levensadem in de dode lichamen geblazen wordt.
Neusgaten: het meervoud van ‘neus’. Dit woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘snuiven’, ‘toornig zijn’ betekent. Vandaar dat het woord ‘neus’ vaak de overdrachtelijke betekenis heeft van ‘toorn’.
Levensadem: nesjama. Dit woord wordt alleen gebruikt bij mensen en niet bij andere levende wezens.
Wezen: nefesj.
In Tenach worden vijf aanduidingen gebruikt voor het begrip leven/ziel van de mens:
Nèfesj = ziel, leven, wezen, bloed. Oorspronkelijk ‘keel’.
Nesjamah = adem, ademhaling, levensadem.
Chaja = wat in leven blijft.
Roeach = geest, wind.
Jechida = de enige; dit geeft aan dat er geen scheiding is tussen lichaam en geest.


Vers 8: En de Eeuwige, God, plantte een tuin in Eden in het oosten. En hij zette daar de mens(heid) die hij gevormd had.
Planten: de hier gebruikte werkwoordsvorm geeft aan dat dit pas gebeurde nadat de mens gevormd was.
Tuin: dit woord is afgeleid van het werkwoord ‘omheinen’. Dus bedoeld is een omheind stuk grond, een stuk land omgeven door een haag of muur.
Eden: dit woord betekent ‘verrukking’. Zie voor de betekenis bijvoorbeeld ook de plaatsen 2 Samuel 1:24 en Ezechiël 31:9,16 en 18. Blijkbaar is deze tuin een verrukkelijke plaats om te verblijven.
In het oosten: ook kan de betekenis zijn ‘ten oosten’ of ‘oostwaarts’. Het woord ‘oosten’ heeft ook de betekenis van ‘vroeger’, ‘oudtijds’.
Hier lijkt dus een paradijselijke plek te worden geschilderd zoals die alleen maar in iemands herinnering kan bestaan maar geen realiteit meer is.

Vers 9: En de Eeuwige, God, liet uitspruiten uit de grond allerlei geboomte, begeerlijk om te zien en goed om te eten. En de boom van het leven midden in de tuin. En de boom van kennis van goed en kwaad.
Uitspruiten: zie voor de uitleg hiervan het commentaar bij vers 5.
Allerlei geboomte: allerlei soorten bomen. Bomen zijn in Tenach symbool voor het leven.
Goed en kwaad: er zijn uitleggers die menen dat hiermee bedoeld is het wel of niet gehoorzamen van de geboden. Anderen menen dat moreel onderscheidingsvermogen bedoeld is. Nog weer anderen menen dat kennis van seksualiteit bedoeld is. Wat hier tegen pleit is dat het zich bewust worden van eigen – en andermans seksualiteit een normale ontwikkeling is. Tenslotte zijn er die menen dat dit kennen het alles wat te weten is betekent, net als de uitdrukking ‘hemel en aarde’ de aanduiding zou zijn voor ‘heelal’. Maar deze laatste uitdrukking geeft veeleer aan dat er een groot onderscheid is tussen hemel en aarde dan dat beiden als één geheel beschouwd kunnen worden. Cassuto en Westermann interpreteren deze begrippen als ‘wijsheid’. Volgens Genesis 3:6 zou het eten van deze boom inzicht geven. Maar in het boek Spreuken wordt het verkrijgen van inzicht als hoogste doel gesteld. Essentieel is wel dat vrees voor de Eeuwige het begin behoort te zijn. Zie Spreuken 1:7. Deze gedachte wordt ondersteund door Ezechiël 28:8 en 15-17.
Het kennen van goed en kwaad betekent verantwoordelijk mens zijn maar geen morele autonomie. Het is leven in afhankelijk aan Gods normen. Zie Psalm 19:8-10.

Vers 10: En een stroom ging uit van Eden om de tuin te drenken. En vandaar uit scheidde ze zich en ze werd tot vier armen.
Uitgaan: de werkwoordsvorm die hier gebruikt wordt is een deelwoord, wat een voortduren aangeeft.
Stroom: of rivier. In het Hebreeuws wordt voor rivier‘armen’ het woord rivier‘hoofden’ gebruikt.
Scheiden: of verdelen. Ook deze werkwoordsvorm evenals ‘zij wérd’ duidt op een voortduren.
Vier: het getal ‘vier’ is de aanduiding voor alles wat deze wereld bevat.

Vers 11: De naam van de ene was Pisjon. Die gaat rond het hele land Chavila waar het goud is.
Pisjon betekent ‘springer’. Het woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘springen’ betekent. Sommigen menen dat de Indus of de Ganges bedoeld is.
Rondgaan: of omringen.
Chavila betekent ‘zandland’. Het woord is afgeleid van het woord ‘zand’. Zie 1 Samuel 15:7. Mogelijk is Arabië bedoeld, het schiereiland dat voor een groot deel uit woestijn bestaat en het zuidelijk deel van dit gebied (Jemen) was in oude tijden bekend om zijn goud. Als deze verklaring juist is zou met Pisjon de Perzische golf of Rode Zee bedoeld kunnen zijn. In de Joodse traditie is Chavila symbolisch voor Amalek.

Vers 12: En het goud van dat land is goed. Daar was de edelhars en de kornalijnsteen.
Edelhars: de betekenis van dit woord is onduidelijk.
Kornalijn: het is niet zeker of dit bedoeld is of misschien onyx. Beide steensoorten komen voor in de efod die de hogepriester droeg.

Vers 13: En de naam van de tweede stroom was Gichon. Die gaat rond het hele land Koesj.
Gichon: de betekenis hiervan is ‘krachtige bron’. Het is afgeleid van een werkwoord dat ‘tevoorschijn komen, uitbreken’ betekent. Mogelijk is hiermee de Nijl bedoeld. Het land zou dan symbolisch zijn voor Soedan en Egypte.
Koesj: dit is de normale aanduiding voor Ethiopië en Soedan.

Vers 14: En de naam van de derde stroom was Chidèkel. Die gaat oostelijk van Assur. En de vierde stroom, dat is de Eufraat.
Chidèkel = de Tigris. Deze rivier wordt ook nog vermeld in Daniël 10:4. De stad Ninevé, de hoofdstad van het Assyrische rijk lag aan deze rivier.
Eufraat: het rijk van Babylon lag aan deze rivier.
Dus met deze laatste twee rivieren worden wereldrijken aangeduid die in de geschiedenis van Israel een belangrijke rol gespeeld hebben.

Vers 15: En de Eeuwige, God, nam de mens(heid) en hij plaatste hem in de tuin van Eden om haar te bewerken en haar te bewaren.
Bewerken: hier wordt het woord ‘dienen’, ‘werken’ gebruikt. Van een tuin kan men ‘het woord ‘bewerken’ gebruiken.
Bewaren of bewaken.
Haar: tweemaal wordt deze vrouwelijk aanduiding gebruikt terwijl het woord ‘tuin’ in het Hebreeuws mannelijk is. Als hier sprake is van een tuin-in-aanleg zou dit mogelijk als vrouwelijk geduid kunnen worden. Als het hele verhaal symbolisch is voor een prille toestand van de mensheid zou men de tuin als een soort baarmoeder kunnen beschouwen en dan is de vrouwelijk aanduiding zo vreemd nog niet.

Vers 16: *En de Eeuwige, God, gebood de mens(heid) door te zeggen: Van al het geboomte van de tuin moet je beslist eten.
Bevelen: iemand iets opdragen waar deze niet onderuit kan.
Door te zeggen: deze onbepaalde wijs van het werkwoord ‘zeggen’ geeft altijd aan dat wat volgt een officieel karakter draagt. Het bevel wordt hierdoor nog stringenter. De meeste vertalingen laten dit woord gewoon weg of vertalen het met het deelwoord ‘zeggende’. Hierdoor wordt het dwingende karakter van dit woord weg vertaald.
Beslist eten: het woord ‘eten’ staat hier tweemaal achtereen, waarbij de eerste vorm een onbepaalde wijs is. Een dergelijk taalkundige constructie kan men vertalen met het woord ‘beslist, zeker’ of ‘absoluut’. Er is niet bedoeld een verzoek of een wens maar een bevel waaraan men zich niet kan onttrekken.
Het eten van alle bomen is dus een absolute opdracht wat op een drievoudige manier tot uitdrukking komt: 1/ bevel. 2/ een officiële uitspraak. 3/ opdracht iets beslist te doen.

Vers 17: Maar van de boom van kennis van goed en kwaad , daarvan zul je niet eten. Want op de dag dat je daarvan eet zul je beslist sterven.
Van de boom: door dit voorop te zetten geeft de schrijver aan dat er een tegenstelling is met het vorige vers.
Kennis van goed en kwaad: vaak wordt gedacht dat dit een aanduiding is voor ‘inzicht hebben’. Onvolwassenheid is niet weten te onderscheiden tussen het kiezen van het goede en het verwerpen van het kwade. Zie Jesaja 7:15 en 16.
Niet eten: hierdoor wordt een permanent verbod gegeven.
Beslist sterven: evenals in het vorige vers staat ook hier een onbepaalde wijs die ‘beslist, zeker’ aanduidt.

Vers 18: En de Eeuwige, God, zei: Het is niet goed dat de mens(heid) op zichzelf is. Ik zal voor hem maken een hulp als tegenover hem.
Op zichzelf: dit woord is afgeleid van het werkwoord ‘gescheiden zijn’.
Ik zal maken: ook kan dit vertaald worden met ‘Laat ik maken’. De Septuaginta en Vulgata hebben hier het meervoud ‘Laat ons maken’ net als in Genesis 1:26 staat. Mogelijk dat de schrijver hier een enkelvoud gebruikt om vooral te voorkomen dat men de dubbele godsnaam in dit hoofdstuk beschouwt als de aanduiding van twee goden.
Hulp: men zou dit woord ook met ‘helper’ kunnen vertalen. Meestal wordt gedacht dat de helper de mindere is van de mens. Men zou ook het tegendeel kunnen beweren, want blijkbaar kan de mens het in zijn eentje niet af.
Als: met dit woord wordt bedoeld ‘ongeveer’, ten naaste bij’. Bij het woord ‘hulp’ verwacht men dat de partner naast de geholpene gaat staan. Hier staat de helper tegenover hem, hoewel, ook niet helemaal. Het lijkt dat de schrijver zegt dat de helper naast de geholpene staat, maar tegelijk ook tegenover hem.
Tegenover: letterlijk betekent dit woord ‘wat zich tegenover iemand verheft’. Het is afgeleid van een werkwoord dat ‘zich verheffen, zich hoog opstellen’ betekent. Dit woord betekent beslist niet ‘naast’. Het beeld van een spiegel lijkt hier opgeroepen te worden, een spiegel waarin boven en onder hetzelfde zijn maar links en rechts verwisseld.

Vers 19: En de Eeuwige, God, vormde uit de grond al het levende van het veld en al het gevleugelde van de hemel en hij bracht het tot de mensheid om te zien hoe hij (het) voor zich zou noemen. En al wat de mensheid voor zich zou noemen, een levend wezen, het was zijn naam.
Vormen: hiermee wordt de activiteit bedoeld zoals een handwerksman, een houtbewerker of pottenbakker die uitoefent. Ook hier is weer een grote tegenstelling tussen deze God die de handen uit de mouwen steekt en wat van andere goden verteld wordt. Die laten anderen voor zich werken.
Noemen: het Hebreeuwse woord dat met ‘noemen’ vertaald wordt heeft altijd de betekenis in zich van ‘roepen, uitroepen’. Als de mens in Tenach zich uit is dit in principe hardop en het liefst met stemverheffing.

Vers 20: En de mens(heid) noemde de namen van al het vee en van het gevleugelde van de hemel en van al het levende van het veld. Maar voor de mens had hij geen hulp gevonden als tegenover hem (zich?).
Mensheid en mens: het woord ‘mensheid’ (adam) werd tot dit moment altijd zonder lidwoord geschreven. Hier wordt het woord adam voor het eerst mét het lidwoord geschreven, door mij vertaald met ‘mens’ en niet meer met ‘mensheid’.
Hij had gevonden: het is niet direct duidelijk wie hier onderwerp is. Er staat ‘vóór de mens’ en niet ‘de mens’. Aangezien er tot dusver slechts sprake is van twee ‘personen’, namelijk de Eeuwige, God en de mens ligt het voor de hand de Eeuwige, God als onderwerp te zien.

Vers 21: En de Eeuwige, God, liet een verdoving op de mens vallen en hij sliep in. En hij nam één van zijn zijden en hij sloot het in plaats daarvan af met vlees.
Laten vallen: doen vallen.
Verdoving: met dit woord wordt een zeer diepe slaap bedoeld, een soort verdoving. Het is afgeleid van een werkwoord dat ‘diep slapen, verdoofd zijn’ betekent. Het lijkt een narcose te zijn.
Zijde: met dit woord wordt een zijkant, een flank bedoeld. Als men de mens ziet als bestaande uit twee zijden, twee kanten, kan men concluderen dat één van beide zijden afgesplitst wordt. Er blijft dus een half mens over. Er is geen enkele aanleiding om dit woord met ‘rib’ te vertalen zoals meestal gedaan wordt.
Sluiten: met dit woord bedoeld dat men iets dicht doet zonder dat er een slot op komt. Voor het sluiten + op slot doen bestaat in het Hebreeuws een ander woord.
In plaats van: dit woord wordt ook gebruikt om het begrip ‘onder’ mee aan te duiden.
Vlees: met dit woord wordt letterlijk ‘vlees, spieren’ bedoeld, maar ook wordt het overdrachtelijk gebruikt om de lichamelijkheid van de mens aan te duiden. De schrijver werkt dit begrip verder uit in vers 24 waar de mens van zijn vrouw zegt dat zij tot één vlees zullen zijn. Dus één zijde van de mens is vlees en deze zijde is erop gericht om lichamelijk één te worden met zijn vrouw.

Vers 22: En de Eeuwige, God, bouwde de zijde die hij van de mens genomen had tot vrouw. En hij bracht haar tot de mens.
Bouwen: met het woord ‘bouwen’ wordt meestal ‘weer opbouwen, herstellen’ bedoeld. De Eeuwige, God, bouwt niet een volkomen nieuw mens, nee hij maakt de halve mens weer tot een compleet mens, maar vrouwelijk. Hier wordt ook niet het woord ‘maken’ gebruikt. De rabbijnen zien verband tussen het werkwoord bouwen (banah) en het woord ‘begrip, inzicht’(binah), en zij verbinden de conclusie hieraan dat de vrouw met meer inzicht begiftigd is dan de man.

Vers 23: En de mens zei:
Deze, dit keer, zot hapá’am
Been van mijn beenderen, ètsem meeatsamái
En vlees van mijn vlees. oewasár mibesarí
Deze wordt vrouw genoemd, lezot jikaree isjáh
Want uit een man is deze genomen. ki meeíesj loekocha-zòt.

Het is hier de eerste keer dat de mens spreekt, en dat doet hij in dichtvorm. Dit past ook bij wat we weten van de oudste geschreven getuigenissen. De oudste geschriften waren alle dichtwerken, bijvoorbeel het Gilgamesj epos en ook de Ilias en Odyssee van Homerus. Dat de meeste bijbelverhalen in proza geschreven zijn is heel opmerkelijk. Enkele eeuwen nadat de oudste bijbelverhalen opgeschreven waren wordt proza de gewone wijze van weergeven. De Griekse geschiedschrijver Herodotus was de eerste.
Dit vers is een toonbeeld van Hebreeuwse poëzie: het bestaat uit een drie lijnstukken in een tricolon (cola; enkelvoud: colon) van elk twee woorden, vervolgens een bicolon (een regel bestaande uit twee lijnstukken) van drie woorden. In de lijnstukken 2 en 3 zien we een parallellisme (been – been en vlees – vlees). Andere taalkundige kenmerken zijn assonantie en een woordspel in de woorden ‘vrouw’ en ‘man’ (isjah en iesj). Verder komt in de lijnstukken 4 en 5 een chiasma, een kruisstelling, voor, volgens het patroon ABC –C’B’A’. Ook is er nog een woordherhaling door toepassing van het woordje ‘deze’ aan het begin van het tricolon en aan het begin van het bicolon.
Genoemd worden: ook weer hardop noemen, roepen.
Vrouw: isjah. Dit woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘zwak zijn’ betekent.
Man: iesj. Dit woord is afgeleid van een werkwoord dat ‘sterk zijn’ betekent.
Een man: De Samaritaanse Pentateuch, de Septuaginta en Syrische vertaling lezen allen ‘haar man’.
Grammaticaal klopt dit vers niet. Er zit een hapering in. Haperingen in gesproken taal hebben altijd te maken met emoties, en het is niet verwonderlijk dat de mens niet goed uit zijn woorden kan komen op het moment dat hij zijn evenbeeld ziet die tegelijk de ander is.

Vers 24: *Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten en zij zullen tot één vlees worden.
Daarom (al-keen). Het woord ‘keen’ is afgeleid van een werkwoord dat ‘vast zijn’ betekent. Letterlijk staat er dus iets als ‘vast-en-zeker’.
Verlaten: in de steek laten, achterlaten. De gebruikte werkwoordsvorm geeft een herhaling aan.
Zich hechten: zich vastklemmen aan.
Eén vlees: de rabbijnen benadrukken dat de man en zijn vrouw níet één van geest hoeven te worden. Ze zullen ieder hun eigen beleveniswereld hebben en houden. Emotioneel zullen zij allerlei dingen op hun eigen manier beleven. Lichamelijk eenwording door seksueel contact is in het jodendom altijd belangrijk geweest. ‘Een man zonder vrouw is een half mens’ is een bekende uitspraak. Het celibaat past niet in de Joodse traditie en is wezensvreemd aan de mens.

Vers 25: En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw. En zij schaamden zich niet voor elkaar.
Naakt: zonder bedekking, open en bloot.
Zich schamen: als de mens later inzicht krijgt gaat hij zich schamen. Hier leeft de mens in volkomen onnozelheid als een klein kind.


Toledot (vers 4)
In navolging van Breukelman wordt dit woord vaak vertaald met ‘verwekkingen’. Anderen vertalen het meestal met ‘geschiedenis’. Breukelman en velen na hem delen het boek Genesis in volgens het voorkomen van dit woord bij de diverse geslachtsregisters. Dit woord komt 13 x voor in Genesis waarvan 10 x als opschrift. Van deze 10 x komt het 5 x voor als opschrift boven een geslachtslijst: Genesis 5:1, 10:1, 11:10, 25:12 en 36:1.
Uitsluitend in Genesis 2 en Roet 4:8 staat het woord volledig uitgeschreven, ‘plene’ wordt dit wel genoemd. Een letter ‘o’ in het Hebreeuws kan namelijk alleen als klinker aangegeven worden of als klinker + medeklinker tezamen. Het eerste noemt men ‘defectief’ schrift, het tweede ‘plene’ schrift. Alle andere keren dat dit woord geschreven wordt (dus geheel of gedeeltelijk defectief) betekent het dat er iets aan mankeert. Blijkbaar geeft de schrijver van het boek Roet met het plene geschreven woord ‘toledot’ te kennen dat wat de hemel en de aarde hier voortbrengen zijn vervolg krijgt in wat Boaz en Roet samen voortbrengen: de geslachtslijst van David.
Het woord ‘toledot’ is afgeleid van een werkwoord dat ‘voortbrengen, baren’ betekent (‘jalad’). Vanzelfsprekend is bij dit werkwoord de vrouw onderwerp. Dit werkwoord wordt ook wel gebruikt om het verwekken door de man mee aan te duiden, maar dan is de vertaling doen baren of geboren laten worden correcter dan ‘verwekken’. Immers tussen verwekken en baren zit bij de mens meestal een tijdsperiode van negen maanden. Door het woord ‘toledot’ met ‘verwekkingen’ te vertalen geeft men te kennen dat het primaire begin van zaadcel en eicel het belangrijkste is, terwijl juist in het Joodse denken de geboorte, het moment dat men de eerste ademhaling doet, het belangrijkste is. Het gaat met name om het voortbrengen en voortgebracht worden.

Overstroming (vers 6)
Dit woord komt ook voor in Job 36:27 waar (in de vertaling) staat: de regen valt neer tot zijn damp’. Het woord dat hier gebruikt wordt komt uit het Assyrisch waar het met name betekent ‘overstroming door een rivier’.De Mesopotamische achtergrond lijkt hier een rol te spelen. Pas veel later in het Arabisch krijgt het de betekenis van ‘damp’.
Het is mijns inziens daarom zeer twijfelachtig of ‘damp’ wel een goede vertaling is. Damp die uit de aarde opstijgt kan uitsluitend een vulkanisch verschijnsel zijn zoals men bij geisers ziet, en dat zal hier niet bedoeld zijn. Logisch is het verband met het Assyrisch aan te houden en te denken aan het buiten zijn oevers treden van rivieren. Dit past ook bij Job 36:27 (de regen valt neer tot zijn ‘damp’), want als de regen eenmaal neergekomen is en van de heuvels en bergen naar beneden stroomt veroorzaakt het bij overstromingen het bevochtigen van het land. Als het rivierwater stijgt stijgt ook het grondwater en komt de overstroming ook ‘uit’ de aarde. Dit verschijnsel was zowel in Mesopotamië als Egypte genoegzaam bekend.

God als gastheer. (vers 16)
De Nieuwe Bijbelvertaling vertaalt Genesis 2:15-17 zo: God, de Eeuwige, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. Hij hielde hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin mag je eten, maar niet van de boom van kennis van goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven. (onderstreping van mij).
Nadat God de mens gemaakt heeft (Genesis 2:7) legt hij voor deze mens een lustoord aan. Het lijkt dat God zelf verrukt is van dit prachtige plekje waar de mens kan leven. Water is er genoeg, want er ontspring een rivier in dit paradijs en vier rivieren stromen eromheen (vers 10-14). En voedsel is er genoeg, want allerlei bomen zijn er met de meest kostelijke vruchten (vers 8-9). De meest verleidelijke boom is echter verboden terrein. Het klinkt nogal negatief, zo van; ‘van alle bomen mag je wel eten, máár…’
Is dit zo bedoeld? Nee, als we de grammaticale constructie hier nagaan, wordt duidelijk dat bedoeld is: Van alle bomen in de tuin moet je eten.
Zowel van het werkwoord ‘eten’ als van het werkwoord ‘sterven’ staat hier een infinitivus absolutus. Dat is in het Hebreeuws een grammaticale vorm die een versterking aanduidt: Je moet eten, en: Je moet sterven.
Door dit verhaal op deze manier te lezen past het ook veel beter bij de bekende Oosterse gastvrijheid. Het is een regelrechte belediging voor de gastheer of gastvrouw als men zich niet te goed zou doen aan al het goeds dat een gast voorgezet wordt. Zo zou de mens hier God beledigen als hij niet ten volle geniet van al het goede dat hem voorgeschoteld wordt. Alleen naar die ene onrijpe vruchtboom moet de mens zijn handen niet uitstrekken.

Zijn vader en moeder verlaten. (vers 24)
In het oude Israel was het de gewoonte dat de man bij zijn ouders in het familieverband bleef wonen en de vrouw verliet juist haar ouderlijk huis als zij huwde. Hier staat dus dat de aandacht van de man primair op zijn vrouw gericht moet zijn en dat hij daarvoor zelfs zijn familie in de steek moet laten. Bij de roeping van Avram in Genesis 12:1 ziet men dit duidelijk. Praktisch gezien zal dit zelden het geval geweest zijn want de zoon nam meestal het beroep van de vader over en tot de vader overleden was was hij ondergeschikt aan diens gezag en bleef hij binnen het familieverband wonen. Waar verteld wordt over familieverhoudingen ziet men dat dit beeld geschilderd wordt. Jaäkov en Esau blijven in elke geval tot hun veertigste jaar bij hun ouders. De kinderen van Jaäkov blijven tot hun vader oud geworden is onder zijn gezag. En zo zijn er meer voorbeelden te noemen. Des te opmerkelijker is het dat Avram bij zijn vader weggaat.
De bedoeling van deze uitspraak hier zal zijn dat men als man de keuze moet maken voor zijn vrouw, zelfs als dit tegen de ouders in zou gaan.
En hoe zit het met de vrouw? Moet die niet haar ouders loslaten? Uit het voorgaande blijkt al dat de vrouw introuwde in de familie van haar man en zij moest automatisch haar ouderlijk huis verlaten. Voor de vrouw was het verlaten van haar vader en moeder dus een natuurlijk gebeuren zoals men ziet bij Rivka, Lea en Racheel. Dit hoeft dus niet apart vermeld te worden.